OUD-WOLFHEZE,
KERSPEL EN DORP
EEN RECONSTRUCTIE
ISBN 978-90-9023622-3
NUR 684
Uit dit werk mag - met bronvermelding - vrijelijk worden geciteerd.
De foto's in dit werk zijn - tenzij anders vermeld - gemaakt door de auteur.
Grafische uitvoering door Nauta en Haagen bv, Oss.
VOORWOORD
Tot dusver ontbreekt samenhangend onderzoek naar de nederzetting, de kerk, de parochie en
de parochianen van Oud-Wolfheze.
Vanaf 1893 zijn er enkele incidentele studies gedaan.
Het eerste gepubliceerde onderzoek naar de kerk is dat van Ir. H.J.H. Groneman uit 1893.
Zijn veldstudie staat aan de basis van onze huidige kennis over het gebouw. Echter, alle nieuwe
kennis leidt onvermijdelijk tot nieuwe vragen. Zo ook hier. Een aantal daarvan is behandeld in
mijn orienterend onderzoek De kerk van oud-Wolfheze ca. 1000 -1624 van voorjaar 2005.
E.J. Demoed beschrijft kerk en dorp in zijn werk Van een groene zoom aan een vaal Meed (ca.
1950). Zijn werk heeft de basis gelegd voor de geschiedschrijving van de gemeente Renkum
en is een belangrijke bron voor latere onderzoekers. Het is door zijn opzet vrij globaal.
J.P.H.T. Michiels (1995) geeft in Oud Wolfheze. De geschiedenis van een dorp aan de
Veluwezoom een snelle scan van de kerk, hof Wolfheze en het wildforstergoed.
Het Amsterdams Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AAC) heeft
fasegewijs een inventariserend veldonderzoek gedaan naar de kerk en zijn directe omgeving,
het Stratius Rondeel en de daarbij liggende landweer, dat onlangs is beeindigd.
Sedert 200 1 houd ik mij bezig met het middeleeuwse Wolfheze. Het onderzoek heeft geleid tot
de uitgave van het al genoemde orienterende onderzoek en tot enkele artikelen in Schoutambt
en Heerlijkheid, een uitgave van de Stichting voor Heemkunde in de Gemeente Renkum.
Dit werk is een bijdrage aan de geschiedschrijving van Oud-Wolfheze. Het behandelt de
periode tussen de jaren 1000 en 1625.
Ik heb gekozen voor het jaar 1000 als startpunt voor dit werk om redenen die te maken hebben
met de kerstening van en de kerkbouw langs de zuidelijke Veluwezoom.
De keuze voor het jaar 1625 als eindpunt van dit werk ligt om twee redenen voor de hand.
De eerste is dat de kerk - het oude Wolfheze is eerst en vooral bekend geworden door de kerk
van hof Wolfheze - in 1624 is gesloopt.
De andere is dat dit gebied daarna nagenoeg is ontvolkt - alhoewel die ontvolking mogelijk
wel iets eerder in de tijd al is begonnen - en als het ware "aan de natuur is teruggegeven".
Weliswaar draagt dit werk nieuwe kennis en inzichten aan, veel is nog onbekend of
onduidelijk gebleven. Daar waar dat het geval was heb ik geprobeerd theorieen, alternatieven
of beredeneerde veronderstellingen op te zetten die latere onderzoekers ten dienste zouden
kunnen zijn.
Zonder twijfel kan - en zal - nieuw materiaal, in confrontatie met reeds bestaande inzichten,
leiden tot anders gerichte vragen en nieuwe, betere inzichten.
In dit verband moet ik de lezer er op attent maken dat dit werk in produktie is gegeven voordat
het AAC zijn eindverslag heeft gepubliceerd.
Tot slot enkele woorden van dank en waardering.
Allereerst aan de medewerkers van de Gelderland Bibliotheek te Arnhem voor hun tips en
altijd vriendelijke en efficiente hulpvaardigheid.
Ook de medewerkers van het Gelders Archief te Arnhem dank ik voor hun hulp.
Mijn broer Dick Jansen in Renkum heeft mij met zijn inspirerende opmerkingen en kennis
van het gebied erg geholpen.
En, last but not least, mijn vrouw, Ad Koole.
Dank voor je geduld als ik weer eens allerlei hypotheses ventileerde, doorbraken
aankondigde of mijn teleurstelling uitte als die juist achterwege bleven.
Oss, winter 2007/2008.
Henk Jansen
INHOUD
Begripsbepalingen
1 . Notities vooraf
Gebied en bewoning. Grondeigenaren. De naam Wolfheze. Ridderlijke Duitse Orde.
Het wildforstergoed.
2. Kerspel en nederzetting
1 . Parochie
2. Nederzetting
Agrarische samenleving. Kruispunt van wegen. Beek en sprengen. Rondeel en
landweer. Bevolkingsomvang. Sociale structuur. Kerkelijk leven. Netwerken.
Vetes. Oorlogen en geruchten van oorlogen.
3 . Waarom een kerk in Wolfheze?
1 . Inleiding
2. Confrontatie heidendom-christendom
3 . Ontwikkeling van de kerk
Bouwheer. Bouw. Bouwjaar. Bouwer. Gebouw.
4. Oorsprong en ontwikkeling
5. Gebruik van kerk en kerkhof
6. Organisatie en beheer van de kerk
1 . Leenheer, leenmannen
2. Kerkfunctionarissen
Pastoors. Kosters.
3 . Vermogen en inkomen
4. Dochterkerk
5. Kapellen
6. Bisdom Utrecht en gereformeerde classis
7. Betekenis van het dorp
1 . Inleiding
2. Akkerbouw, veeteelt, huisvlijt, handel
8. Ondergang van dorp en kerk
1 . Tekenen van verval
2. De ondergang
9. Postscriptum
Belangrijkste bronnen
ENKELE BEGRIPSBEPALINGEN
Het dorp Oud-Wolfheze
In dit werk wordt onder Oud-Wolfheze verstaan het stroomgebied van de Papiermolenbeek
vanaf zijn bron of sprengkop tot aan de gronden van de boerderij De Kabeljauw.
De oorsprong van de beek ligt in de destijds moerassige gebieden ten oosten van Hotel
Wolfheze, de Swarte Colck genoemd. De Kabeljauw bevindt zich ten westen van Laag-
Wolfheze, zie de topografische kaart 40 A. Omdat er geen bewijs is dat er ooit een (papier)
molen aan deze beek heeft gestaan wordt de beek in dit werk de Zwarte Kolkbeek genoemd.
Hof Wolfheze
De hof van Wolfheze is een deel van het dorp en wel het meest westelijke deel. De hof wordt
in het oosten begrensd door het wildforstergoed, in het westen door Rondeel en landweer, in
het noorden door de heerwech en in het zuiden door de Zwarte Kolkbeek.
Op de Proceskaart wordt het gebied van de hof weergegeven.
De parochie Oud-Wolfheze
Het kerspel Wolfheze wordt beschreven in hoofdstuk 2.
Vanaf medio 16 e eeuw wordt de naam Wolfheze in de kerspelaanduidingen minder vaak en
minder prominent gebruikt. Desondanks blijft in dit werk de oude parochienaam gehanteerd.
im®M'.
UITSNEDE VAN TOPOGRAFISCHE KAART 40A MET DAAROP AANGEGEVEN
DE BELANGRIJKSTE IN DIT WERK VOORKOMENDE VELD- EN BOUWWERKEN
© WILDFORSTER HOEVE
® ZWARTE KOLK
® KERK HEELSUM
© BEEKOVERGANG NOORDZUIDWEG
© LANDWEER
© RONDEEL
© KOUSENHUISJE
© LOCATIE RUINE WOLFHEZER KERK
© KASTEEL DOORWERTH
® LOCATIE KAPEL DOORWERTH
® KERK OOSTERBEEK
Veluwezoom
Tenzij anders vermeld wordt met Veluwezoom bedoeld de zuidzijde van de Veluwe tussen
Arnhem en Wageningen. Praktisch gesproken gaat het vooral om het gehele zuidelijke gebied
van de Gemeente Renkum.
Kerk en kapel
Snel gezegd is een kapel (capella) een plaats om te bidden, maar zonder de rechten van een
parochiekerk. Een parochiekerk (ecclesia) is een plek waar de sacramenten mogen worden
bediend. Sporadisch is een kapel groter, mooier dan een kerk.
Tijdsindeling
De Middeleeuwen beslaan de periode tussen de jaren 500 en 1500 en worden globaal
onderverdeeld in de volgende tijdvakken:
Vroeg 500 - 800
Vol 800 - 1300
Laat 1300 - 1500
Vanaf 1500 wordt gesproken van de Nieuwe Tijd.
De eerstbekende vermelding van Wolfheze in de archieven dateert uit 1333.
1. NOTITIES VOORAF
Gebied en bewoning
Het gebied is altijd een aantrekkelijke habitat geweest voor mens en dier.
• Prehistorie
Uit de prehistorie dateren de grafheuvels in Oud -Wolfheze. Niet alle grafheuvels zijn nu nog
in het veld waarneembaar: flora en fauna hebben hun tol geeist. Maar ook de mens heeft zich
niet onbetuigd gelaten: de grafheuvels onderaan de Heelsumse weg zijn - waarschijnlijk bij
de aanleg van de snelweg A50 - verdwenen. Anderen zijn verstoord dan wel vernield door
"schatzoekers".
Het merendeel van de nu bekende tumuli ligt ten noorden van de Zwarte Kolkbeek, d.w.z. op
de zuidhelling van de sandr 1 , waar men het best van de zon kan profiteren. Twee tumuli liggen
aan de zuidkant van de beek, iets ten oosten van hotel Wolfheze, nabij de Bilderberglaan.
Mf*J(f«
SANDR EN STUWWAL
De schets toont de lokatie van Oud- Wolfheze op de zuidgrens van de sandr. De spoelzandvlakte
wordt daar begrensd door het beekdal en aan de zuidzijde van het beekdal verrijst de stuwwal.
Bron: Nieuwsbrief Zuid-Veluwse beken, januari 2003 nr. 1, Waterschap Vallei Eem.
• Romeinse Tijd
Zeer waarschijnlijk zijn de Romeinen actief geweest in het gebied, al was het maar om er te
jagen, hout te kappen, te patrouilleren of om handel te drijven met de bevolking. Maar er is
geen bewijs dat ze zich in Oud - Wolfheze of omgeving (semi-)permanent zouden hebben
gevestigd. Desondanks is de bevolking zeker beinvloed geweest door de Romeinen, b.v. in het
gebruik van werktuigen.
• Laatheidense - vroegchristelijke tijd
Het gebied is in deze periode - en wellicht al eerder - bewoond 2 .
Bewijs komt uit een archeologisch onderzoek dat de Oosterbeekse ingenieur Groneman in
1893 deed naar de Wolfhezer kerk. Als de verschillende door hem gedateerde voorwerpen - 2 1
in totaal - in tijdvakken worden gerubriceerd ontstaat het volgende beeld:
DATERING
VOORWERPEN
BIJDRAGE
CUMULATIEF
(1)
TIJDVAK
Prehistoric en
59
Romeinse tijd
17,18,48
4 vondsten = 19%
19%
8 e - 10 e eeuw
47a
9 e -10 e eeuw
31
> 10 e eeuw
53
ca.jaar 1000
1
7 e - 12 e eeuw
33,37
6 vondsten = 29%
48%
IP - 13 e eeuw
36,54
14 e - 15 e eeuw
38,39,40,41
Middeleeuwen
18a, 18b, 47b
9 vondsten = 43%
90%
Latere tijd
56
Begin 17 e eeuw
60
2 vondsten = 10%
100%
(1) Vondstnummering door Groneman.
Bijna 50% van de vondsten dateert van voor het jaar 1000. Dat is, mede gelet op de factor
tijd, een hoge score. Daarnaast valt op dat negen van deze dateringen huishoudelijke
gebruiksvoorwerpen (33, 36, 37, 38-41, 47a, 47b) betreffen en een ervan een sieraad (31)
is. Holwerda meldt op 02-09-1904 en 03-10-1904 de vondst van enig vaatwerk onder de
bouwvallen van het kapelletje op de Wolfhezensche hei dat hij dateert op niet vroeger dan de
achtste of negende eeuw. In zijn verslag vermeldt hij ook dat anderen soortgelijk vaatwerk
hebben gevonden in enkele grafheuvels ten noorden van de kerkruine. Heidinga vindt een munt
vermoedelijk uit de 12 e eeuw, blijkens de Veluwepost van 19-07-2002, pag. 23. Opvallend is
dat Groneman geen melding maakt van muntvondsten en dat lijkt vreemd, weinig, voor (het
gebied van) een kerkruine.
Het heeft er dus alle schijn van dat de plek waar de kerk is gebouwd reeds voor het jaar 1000
in gebruik is geweest.
Grondeigenaren
Onbekend is wie tot in de Late Middeleeuwen de eigenaren zijn van het gebied van Wolfheze.
Vermoedelijk heeft het behoord aan het bekende geslacht Hamaland. Deze familie heeft in de
Vroege en het eerste deel van de Voile Middeleeuwen uitgebreide goederen en rechten in de
noordelijke Lage Landen. Heidinga vermoedt dat (o.a) de gehele Veluwe aan Hamaland heeft
behoord, althans tot aan de 10 e eeuw.
Voor wat de Veluwezoom betreft is het zeker dat Renkum (of een deel ervan) er toe heeft
behoord en waarschijnlijk ook het gebied van de Duno-schans. Volgens Verkerk is de
Oosterbeekse hoeve de Dusinckhof van de heren van Gelre wellicht te identificeren met het
oorspronkelijke bezit van Adela van Hamaland, het latere landgoed de Duno. Zegt Heidinga
dat het zwaartepunt van Hamaland 's Veluwse goederen in de 10 e eeuw langs de Veluwezoom
heeft gelegen, Stern meent dat in de 1 l e eeuw in het zuidelijke deel van de Veluwe de meeste
allodiale goederen van de familie liggen.
Omstreeks het jaar 1000 is Adela van Hamaland de meest op de voorgrond tredende figuur
in haar familie als ook op de Veluwe en in de Achterhoek. Zij wordt door sommige auteurs
aangeduid als gravin of gravin van Hamaland, vaker wordt zij genoemd zonder enige
titulatuur.
10
De mannen rondom Adela hebben grafelijke rechten op de Veluwe. Haar eerste man Immed
wordt door verschillende schrijvers verschillend betiteld: graaf in Renkum, graaf in het
Utrechtse bisdom, graaf op de Veluwe en graaf kings de Veluwezoom, graaf van Teisterbant en
Renkum ofRedichem.
Haar oudste zoon Dirk wordt genoemd graaf langs de Veluwezoom en haar tweede echtgenoot,
Balderik, is volgens Heidinga graaf van Veluwe geweest.
Heidinga zegt dat Meinwerc, Adela 's tweede zoon, ook graaf van Veluwe is geweest.
Deze Meinwerc is bisschop van Paderborn geweest (1009 -1036). Van Winter meent dat onder
zijn invloed in de winter van 1026/1027 Bernold tot bisschop van Utrecht (werd) benoemd,
die naar ik vermoed de hofkapelaan van Meinwercs moeder Adela in Oosterbeek was 3 .
Adela overlijdt rond 1020. Daarna vallen - onder onbekende omstandigheden - delen van
het reeds geruime tijd afkalvende familiale goederenbestand toe aan de Veluwe, het bisdom
Utrecht. Dat beleent de Veluwe aan de hertogen van Brabant en deze geven het gebied - zonder
eerst de bisschop te informeren - in achterleen aan de graven van Gelre. Als de Brabantse
hertog in 1 185 niet naar de bisschop in Utrecht komt om het Veluwse leen te verheffen wordt
het verbeurd verklaard. Het gevolg is een reeks van verwikkelingen, inclusief strijd tussen
Gelre en Holland.
Doorwerth en een deel van Oosterbeek maken geen deel uit van deze beleningen. In 1203 staat
Otto van Gelre zijn allodium in Oosterbeek dat hij in leen heeft, af aan Hendrik van Brabant.
In de 14 e eeuw wordt gesproken over dleen van Meghen van Oesterbeke met den berghe ende
met sinen toebehoirten* .
Op 1 7 maart 1311 leent de Utrechtse bisschop de Veluwe en andere goederen aan de graaf van
Gelre, waardoor deze dus van achterleenman wordt "opgewaardeerd" tot leenman 5 . De reden
voor deze verandering is dat die hertoch van Brabant sijn leen dairaen versuympt heeft 6 . Delen
van de Veluwe vallen aanvankelijk niet onder de graven en hertogen van Gelre. Het halve
gericht te Oosterbeek wordt op 18 maart 1342 door hertog Reinald aangekocht.
De naam Wolfheze
De oudheid en de oorsprong van de naam zijn onbekend. In deze paragraaf worden daarover
enkele opmerkingen gemaakt en worden notities gemaakt bij de overheersende mening dat
de naam verwijst naar het dier, waarvan er vele in Wolfheze zouden zijn geweest en het woord
heze, dat zou staan voor struikgewas, geboomte.
• Oudheid
Het gebied van Oud- Wolfheze is al in de 8 e eeuw bewoond, heeft vanaf de 1 l e eeuw een stenen
kerk, maar de naam komt pas voor het eerst voor in een archiefstuk uit 1333.
Heel anders is dat met enkele omliggende plaatsen, die al in vroeg-christelijke tijden worden
genoemd: Oosterbeek in 834, Arnhem voor 893, Seelbeek in 893 en Renkum in 970 en 996.
Omdat a) het gebied van Oud - Wolfheze al in de 8 e eeuw is bewoond en b) omliggende
plaatsen al in de 9 e en 10 e eeuw in archiefstukken voorkomen, kan worden verondersteld dat
de naam Wolfheze uit vroegchristelijke tijden of eerder dateert.
Een andere redenering ondersteunt deze aanname:
In de 9 e eeuw is of wordt de bevolking, althans de sociale top ervan, gekerstend. Volgens
Timmers is de wolf in de Middeleeuwen bij christenen bepaald niet geliefd. Hij wijst op
Johannes 10:1 1, 12 waar Jezus als goede herder zijn kudde beschermt tegen de wolf, en zegt
11
dat Christus de satan vergelijkt met een wolf: als de huurling de wolf ziet komen om de
schapen te roven, laat hij zijn kudde in de steek en vlucht. De wolf is het symbool van allerlei
ondeugden: van de toorn, want hij is prikkelbaar, van de vraat- en roofzucht, van de ketterij,
die de kerk van haar schapen berooft 7 .
Als christenen de naam Wolfheze niet zouden hebben bedacht voor hun woonplek, moet de
naam van de voorchristelijke - de Germaanse - tijd dateren. Tenzij zij de naam hebben gebruikt
als aanduiding voor een gevaarlijk, "heidens" oord in de omgeving. Bij de ongekerstende
Germanen en de vroege christenen wordt de wolf vereerd, totdat Karel de Grote zijn strijd
tegen de heidenen combineert met de strijd tegen de wolf. In de Vroege Middeleeuwen beelden
christelijke heiligen de heidense demonen vaak uit als wolven. Paus Gelasius (1118-1119)
verbiedt de luperkalen (wolvefeesten), die nog niet geheel buiten gebruik zijn gesteld.
In de reformatie periode wordt de tegenstelling schaap - wolf weer actueel. De katholieken
zijn de schapen die zich bedreigd voelen door de protestanten, de wolven.
Tenslotte wordt in dit verband gewezen op wat Van Slichtenhorst opmerkt over hees-namen.
Hij zegt dat deze, waaronder Heesch (N.B.,), hun afkomst schynen gehaelt te hebben van den
Af-god Hees, welken die Fransse (Frankische) en Duytssers (Germaanse) in de Heydensse
tijden met groote eerbiedigheyd plaghten te vyeren, ende sijn outer met menschen bloed te
besprenghen. Te meer, vermits onse voorouders, na de leer van Tacitus en andere Schrijvers,
de wouden voor hunnen Afgoden hadden geheylight, noch de zelve in kerken maer in de
eenzaeme bossen aanbaden; ende over zulx niet onwaerschijnlijk en is, den Afgod Hees in het
dorp Hees te zijn ge-eerd geweesd, daer men voor zeker weet wel eer een dick bos gestaen te
hebben.
Hij bedoelt hoogstwaarschijnlijk de god Hesus of Esus.
• Herkomst
Heldring, Oltmans, Demoed, van Dolderen en Erkens menen dat wolf in Wolfheze verwijst
naar het dier, maar Michiels en Van Berkel denken dat wolf ook een persoon kan betreffen.
Al deze schrijvers menen dat hees betekent struikgewas, kreupelhout en geen van hen
behandelt de samenvoeging van de beide delen in een plaatsnaam. Niet alleen gaan zij dus
voorbij aan hees als heidense god, ook laten zij onbesproken dat het wel vreemd is dat - waar
hees in hun opvatting voor geboomte, struikgewas staat - er zo weinig hees-namen op de
Veluwe voorkomen.
Om enige ordening aan te brengen in de verschillende mogelijkheden worden de volgende
stellingen doorgenomen:
> Wolfheze is naar het dier genoemd
> Wolfheze is naar een persoon genoemd
> Hees betekent struikgewas
en worden notities geplaatst bij de combinatie van wolf en hees in de plaatsnaam Wolfheze.
> Wolfheze: hees van de wolf?
Het dier komt voor als wolf in het oud- en nieuwhoogduits, het oudsaksisch en het oudfries,
als widf in het oudsaksisch en angelsaksisch, als ulfr in het oudnederlands, en als wulfs in
het gotisch. Ook wordt wel gezegd dat wolf afstamt van het oudgotische werkwoord vilvan
(roven).
12
Nu is het in Nederland altijd ongebruikelijk geweest plaatsen te noemen naar de namen van in
het wild levende dieren. Van de ca. 5500 door Van Berkel onderzochte plaatsnamen is slechts
bijna 0,5% met enige mate van zekerheid op een wild dier terug te voeren. De frequentie van
het gebruik van wolf als diernaam is bij hem vrijwel 0%, en de verwijzing naar wolven in
Veluwse plaatsnamen komt bij Van Berkel niet voor. Enkele keren merkt hij op dat wolf in
een plaatsnaam zowel op het dier als op een persoon kan wijzen. Otten meent dat de meeste
Veluwse wolf-namen herinneren aan het dier. Hij noemt Wolfsdel, Wolfsheg, Wolfskuil en
Wolfswaard, namen die Van Berkel niet opneemt.
Hoe dan ook, het is opmerkelijk dat er relatief zo weinig wolf-namen op de Veluwe
voorkomen.
Enkele van de genoemde schrijvers menen dat in het gebied van Wolfheze grote roedels
wolven zijn geweest. Zo zegt Heldring dat de bossen van Wolfheze door tallooze wolven
bewoond zijn, en van de Poll 8 spreekt over een ware landplaag.
Ecologisch bezien kan dat niet 9 .
De wolf is een hardnekkige jager die zijn prooi over vele tientallen - tot soms wel 100 -
kilometers achtervolgt. In gebieden waar de prooien verspreid zijn, kan het territorium van de
wolf 400 km 2 bedragen.
Om de veronderstelde grote wolfpopulatie in Wolfheze te voeden, zou in het gebied langdurig
meer wildprooi moeten zijn geweest dan elders op de Veluwe, maar dat kan alleen maar uiterst
incidenteel en kortdurend zijn voorgekomen. De roedels bij Wolfheze zouden zich dus vooral
hebben moeten voeden met huisdieren, maar dat leidt tot de bizarre consequenties dat:
• de zeer weinige, arme Wolfhezer zandboeren meer onbeschermd vee moeten hebben gehad
en beter in staat moeten zijn geweest hun levende have op peil te houden - ondanks de wolven
- dan boeren elders op de Veluwe.
• de veestapel (zeer) omvangrijk moet zijn geweest.
• de wolf in het gebied van Wolfheze veel minder concurrentie moet hebben gehad van andere
vleeseters dan elders op de Veluwe.
De wolfdichtheid op de Veluwe kan door de tijden heen niet hoog zijn geweest, al kunnen er
incidenteel relatief veel wolven zijn geweest. In de 1970-er jaren is een plan ontwikkeld om
het dier te herintroduceren op de Veluwe, samen met de lynx, op grond van de berekening
dat 67 wolven zich er in leven zouden kunnen houden, mits de jacht op prooidieren zou
worden gestopt. Het plan is niet uitgevoerd, maar de berekening zegt iets over de ratio's tussen
gebiedsoppervlak, beschikbare prooi en competitie om de prooi: een wolf per ca. 30 km 2 , mits
er voldoende prooi is, in een gebied overigens dat veel intensiever wordt gebruikt en minder
prooi heeft dan 1000 jaar geleden 10 .
De gezonde wolf mijdt de mens, maar leeft blijkens recente studies in toenemende mate ook
dicht bij de mens 11 . Het dier is incidenteel gevaarlijk, b.v. in bijzonder strenge winters, of in
tijden van de pest, als er, vooral in de steden, een lijklucht hangt. In de Late Middeleeuwen
krijgt het dier hondsdolheid, waardoor het zeer agressief wordt en de mens kan verwonden 12 .
De onbehandelde bijtwond leidt bij de mens binnen enkele dagen na het begin van de ziekte
tot de dood.
De wolvenjachten die vanaf de Late Middeleeuwen tot in de 18 e eeuw zijn gehouden, zijn
vrijwel alle onnodig om het veronderstelde gevaar van het dier te beperken. Heel vaak
leveren de drijfjachten niets of weinig op 13 . Vaak worden ze gehouden om het vermaak en
omdat de (gelooide) huid van het dier gewild is voor de vervaardiging van trommelvellen en
13
handschoenen. Op het platteland neemt de angst voor het dier mythische vormen aan. Zelfs
Oltmans ontkomt er anno 1923 niet aan. Soms is men bang de naam van het dier uit te spreken,
en zo ontstaat het gezegde "als men van den wolf spreekt, dan ziet men al zijn staart".
Ondanks al deze overwegingen kan de naam Wolfheze verwijzen naar het dier.
Maar, als dat zo is, dan juist omdat er zo weinig van waren in het gebied. Immers, een naam
dient ter onderscheiding, en hoe zou dat mogelijk zijn als het gebied vergeven is van de
wolven?
> Wolfheze: hees van De Wolf?
Michiels en Van Berkel menen dat wolf ook een persoon kan betreffen.
De vernoeming van personen in plaatsnamen is in Nederland steeds gebruikelijk geweest, ca.
10% van de door Van Berkel onderzochte plaatsnamen. Dit, gevoegd bij de onzekerheid dat
Wolfheze naar het dier is vernoemd, leidt tot de gedachte dat Wolfheze naar een persoon kan
zijn genoemd. Welke persoon? De missionaris Wulfram (ca. 647-704 of 720)? Hij was in deze
contreien, en kon zijn (Germaanse!) naam nog dragen, want Karel de Grote had het nog niet
kunnen verbieden.
> Hees, heze
Over het hees in de naam Wolfheze zijn de verschillende schrijvers het eens: het moet jong
beukenbos, later struikgewas, kreupelhout hebben betekend.
Hees is waarschijnlijk afkomstig van het Germaanse hasi, en is een lastig woord. Van Veen 14
somt enkele hees-varianten op, maar zegt dat het verband ertussen niet duidelijk is. Van het
woord heester zegt hij dat het eerste lid heisi is in oudhoogduits, hese in oudengels, hesi en
hezia (beide betekenend kreupelhout) in oudnederlands. De beide laatste zijn volgens hem
verwant met middeleeuwslatijn hesa, hesia en haesia, die alle drie omheining, omheind bos
en kreupelhout betekenen.
Is er verwantschap tussen hees en heide? Het oudsaksische woord hetha is heide,
middelnederlands heide, hede en in oudengels ha;5 (engels heath). Het Nederlandse heet ligt
dicht bij hetha en heath. Hees(ch)-namen komen weinig voor in Nederland (< 1% bij Van
Berkel).
Hoe dan ook, het woord hees is - evenals wolf- afkomstig uit Germaanse tijden.
Maar vreemd is dat er op de Veluwe - gegeven de betekenissen van het woord hees - zo weinig
hees-namen zijn geweest.
Omdat het niet zeker is dat hees in Wolfheze struikgewas betekent, komt een andere
veronderstelling in beeld. Is het een verbastering van het oudsaksische woord hes (hers), paard?
Het paard was een voor Germanen heilig dier, de verering ervan had met vruchtbaarheid te
maken, en het paard is het offerdier voor Wodan.
> De combinatie wolf en hees
Een plaats- of streeknaam dient om onderscheid aan te brengen met de omgeving. Daarbij zal
vaak gelden dat niet het gewone, maar het bijzondere de aandacht trekt. Als hees = struikgewas
in de naam Wolfheze, moet wolf het onderscheidende deel zijn van de naam. Als wolf het dier
is, dan moet direct een voorwaarde worden verbonden aan de combinatie: er moeten weinig
wolven zijn geweest, veeleer een enkele eenzame wolf.
Ulf-hithi - schuilplaats van een wolf- zou dan een voorloper van Wolfheze kunnen zijn.
14
Is wolf echter een persoon, dan zijn in de veldnaam Wolfheze zijn erf en huis de onderscheidende
elementen, en hees kan dan omheining betekenen. Opnieuw geldt: er zijn alleen maar
redeneringen.
En veronderstellingen, zoals:
Kan de naam een verbastering zijn van Wolf's es, het bouwland van Wolf, Wulf, Ulf? {es =
esc = aski, Germaans) of een combinatie zijn van wold (oudnederlands voor moerassig bos)
en fahsa (taaie grassoort)? Dichtbij ulf ligt ulve, hulf en hulfr voor resp. een verdwenen
boomsoort, steekpalm en hulst, kan de naam Wolfheze daarop terug te voeren zijn?
Wolfshaister? Haister. menigte van heysters, eyken, struycken (vergelijk Heysterbach voor
Oosterbeek).
Kortom: betekent Wolfheze echt het wolvenbos?
Er pleit meer tegen dan voor: wolf kan naar een boom verwijzen, de kans dat het naar een
persoon verwijst is veel groter dan dat het naar het dier verwijst en er zijn andere woorden
denkbaar waarvan de naam Wolfheze kan zijn afgeleid. Hees kan ook staan voor een god, voor
heide en omheining, en kan een verbastering zijn van es, hes en fahsa.
• Spellingen
Voor zover uit de archieven blijkt, zijn er sinds 1333 geen wezenlijke veranderingen in de
naam van het dorp geweest 15 :
l\/u!flieseri
Wolffhgzen
WoLfViees
(MftAeei
ix) OAiMiexAan-
WeffKeefsom
WoetAeeCsoMt
WolfA&ien
Wolfhezen
Wolfheze
DORPSNAMEN DOOR DE EEUWEN
Het is echter niet bij voorbaat uitgesloten dat Wolfheze in nog vroegere tijden een andere
benaming heeft gehad. Kan Wolfhartum een "voorloper-naam" van Wolfheze zijn?
Har of hart staat voor harde zandgrond, heide. Um oiheem, hem staat nogal eens aan het einde
van een nederzettingnaam (Arnhem, Heelsum, Renkum, Bennekom).
De Ridderlijke Duitse Orde Balije van Utrecht (RDO) 16
Hof Wolfheze is lange tijd een leenbezit geweest van de RDO.
De RDO is een broederschap - voluit genaamd Broeders van het hospitaal van onze Lieve
Vrouwe der Duitsers - die tijdens de 3 e kruistocht (1 189-1 192) in Palestina wordt opgericht
als, naar de overlevering, onder het zeil van een koggeschip een veldhospitaal wordt ingericht.
Hier krijgen zieke en gewonde duitstalige kruisvaarders medische verzorging en geestelijke
bij stand. In 1199 wordt de hospitaalorde door de paus als militaire ridderorde erkend. Het
latere huis van de orde in Acco wordt in 1 29 1 verwoest en de orde trekt zich terug naar Europa
in de aldaar verworven bezittingen die over een groot deel van Europa verspreid liggen.
Bij de belegering van Damiate in 1218 zijn veel Nederlandse kruisvaarders betrokken.
Sommigen van hen raken zo onder de indruk van het werk van de orde dat zij gronden en
huizen aan de orde schenken als die zich rond 1230 in Utrecht vestigt. De ridders Adolf Van
den Berg en Sweder Van Dingede doen dat als eerste als zij in 1218 een landgoed bij Dieren en
landerijen bij Schalkwijk schenken. Later volgen nog meer schenkingen, wellicht ook uitgelokt
door de pausen, die dergelijke schenkingen als gunstig voor het zieleheil aanmerken.
Op veertien grotere landgoederen met kerken worden commanderijen ingesteld, die in 1231
worden gegroepeerd in de Balije van Utrecht, die de hoofdzetel heeft in de stad, waar de
15
landcommandeur zetelt. Wellicht is de term "balije" overgenomen van de kerk die in 1265
Europa heeft ingedeeld in inzamelingsgebieden, balivia of balijen. De oudste commanderij is
die van Dieren (1218).
WAPENSCH1LD EN BORSTKRUIS VAN DE ORDE
Bron: Ridderlijke Duitse Orde.
Tot de bezittingen in Wolfheze behoort lange tijd geen kerk en dat is mogelijk de belangrijkste
reden waarom toen en daar geen commandeurschap is gevestigd. De transacties betreffende
goederen in Wolfheze zijn daarom steeds met de landcommandeur in Utrecht afgewikkeld.
In 1581 zweren de Staten Philips II af en zij beschikken dan over de roomse geestelijke
instellingen. De Balije mag blijven bestaan op voorwaarde dat de leden protestant worden.
Dat gebeurt in 1637 en daarmee wordt de orde een wereldlijke adelscorporatie.
De commanderij en raken door de reformatie in verval en worden in de 17 e en 18 e eeuw
geleidelijk ontmanteld. In 1807 wordt het Duitse Huis in Utrecht door Lodewijk Napoleon
geconfisqueerd, in 1809 wordt de Duitse Orde in alle staten van de Rijnbond door Napoleon
opgeheven en in 1810 moet de Balije afstand doen van al haar goederen. Op 8 augustus 1815
wordt de Balije van Utrecht in ere hersteld en toegankelijk gemaakt voor een selecte groep van
mannen van protestants-christelijke, adellijke huize.
De Balije zet thans de charitatieve traditie uit de begintijd voort.
Het wlldforstergoed 17
In dit werk komt het Wolfhezer wildforstergoed ter sprake. Het heeft niet tot de parochie maar
wel tot het dorp van Wolfheze behoord. Hieronder een kort expose van een dergelijk goed.
Het wildforsterambt stamt volgens Hacke uit het Karolingische jachtrecht. De wildforsters
spelen een rol bij de implementatie en handhaving van regels betreffende de jacht op grof
wild in bossen en ongecultiveerde gronden, maar hun ambt kan volgens haar ouder zijn dan
het jagersambt.
Zoals in hoofdstuk 1 vermeld leent de Utrechtse bisschop op 17 maart 1311 de Veluwe en
andere goederen aan graaf Reinold van Gelre; het Veluwse wildforsterambt dateert uit de tijd
dat Reinold zich de onbeheerde wildernissen toeeigent.
Echter, delen van de Veluwe - hoven, horige goederen, sommige buurtschappen - vallen niet
onder de graaf van Gelre. Daarvan komen enkele - Putten, een deel van Oosterbeek, Velp en
Hoevelaken - in de loop van de 14 e eeuw in het bezit van Gelre 's graven.
Zij bedrijven de jacht en laten hun eigenhorigen de akkers bebouwen. De horigen moeten hun
overschotten, d.w.z. hun oogsten minus dat wat zij voor eigen levensonderhoud nodig hebben,
in de schuren van hun heer afleveren. Later, als de horigheid verdwijnt, krijgen zij de akkers
tegen een jaarlijkse tyns in gebruik.
De wildforsters zijn vrije lieden en moeten geen andere lasten betalen dan die welke ook
door edelen en steden worden betaald. Dit houdt in dat zij zijn vrijgesteld van zulke gewone
diensten als b.v. de huisvesting van ruiters en knechten, de pondschatting en het maken van
wegen. Wel moeten zij de buitengewone diensten betalen, de schattingen of beden. Van Winter
beschrijft het wildforsterschap als volgt: een tamelijk ondergeschikte functie, voornamelijk
16
bestaande uit toezicht op de bossen en op de wildstand, en dienst aan de graaf wanneer hij
gingjagen.
Schimmelpenninck van der Oije meent dat de wildforsters noch met schattingen, noch met
beleeningen mochten bezwaard worden, tenzij dat Ridderschap en steeden daartoe mede
contribueerden, maar deze regeling geldt wellicht pas vanaf 1549 als de landvoogdes bij
ordonnantie bepaalt dat de wildfursters van Veluwe ten aanzien van de schattingen worden
gelijkgesteld met ridderschap en steden.
Aan de bedienaars van een wildforstergoed wordt een landgoed ter beschikking gesteld; de
bediening - en daarmee het landgoed - is vervreemdbaar. De wildforsters worden geacht om op
bevel van de jachtmeester, eventueel met verlating van huis of akker en ploeg, kar en paard ter
beschikking te houden van vorstelijk jachtgezelschap voor het vervoer van jachtgereedschap
en het geschoten of gevangen wild.
Elk wildforstergoed heeft een jachthuis. Kortom, de heer is vrijwel overal op de Veluwe
verzekerd van vervoer en pension. Als vergoeding daarvoor krijgen de wildforsters landerijen
in leen.
Verspreid over de Veluwe zijn meerdere wiltfursterampten. De heer Van Middachten heeft
vanaf 1340 gedurende eeuwen het Overste Wildfurster ambt op de Veluwe bekleed.
De wildforsterijen zijn niet alle exact gei'dentificeerd en/of gelokaliseerd. Wellicht is er in de
loop der eeuwen niet steeds een vast aantal geweest - enkele auteurs menen dat er twaalf zijn
geweest, Van Winter telt er dertien - en er zullen ook wisselingen in het bestand zijn geweest.
Deze auteur heeft negentien wildforsterijen geteld. Echter, soms zijn wildforstergoederen
gesplitst of juist samengevoegd zonder dat dit tot naamsveranderingen heeft geleid.
Het Wolfhezer wildforstergoed wordt vanaf 1366 ingericht, getuige onderstaand dokument.
HERVELT.
Die thienden van den Hoeweerden, met den raedtthiende tot
Hervelt, groot ende cleyn, met heuren tobehoren, woe die gelegen
sijn; item die Schaepswaeren tot Hervelt; item tot Renwick twee
stuxken landt, haldende omtrent vijff hont; item dat thiendeken
in der Hetersche straet; item vijff mergen landts, gelegen tot
Dryel bij Henricks huys van der Mergelinch; item uut Balgoys
landt ter Nevel 4 pond allejaer; item dat overstuck landts achter
Hubert des veren huys gelegen; item ongeveer een mergen
landts op Nevelrevelt; item die Schaepswaeren in der Taelmont;
item 20 hoener te Meynerswick; item den pacht opter Praest
an Kelman; an Grieten Hermans hoffstat ende an een ander
hofstat; item dat landt dat Otto van Ommeren te hebben plach;
item dat stuck lants tot Elden op den Oort; item een halven
mergen landts in Elderweyde; een stuck landts, geheiten des
Greven camp; een stuck landts in Eldermaet an Huessener
seghe; een wiltfurstergoet in Veluwe, tot een erflicken leen, tot
Zutphenschen leenrechte, gegeven van hertog Edouard an
Arnt van der Lauwick Arntssoon, a°. 1366
BELENING VAN EEN WILDFORSTERGOED IN VELUWE AAN
ARNT VAN DER LAUWICK IN 1366
In separaat onderzoek door de auteur is bewezen dat met het hier genoemde wildforstergoed de
Wolfhezer wildforsterij wordt bedoeld. Bron: Register op de Leenaktenboeken uit het Vorstendom
Gelre en Graafschap Zutphen. Het kwartier van Nijmegen.
17
NOTEN HOOFDSTUK 1
1. Sandr = zand. Aan het einde van het Salien, 200.000-120.000 v. Chr., smelt de ijskap. Het
smeltwater spoelt weg naar de lagere delen van de stuwwallen en neemt grote hoeveelheden
zand en stenen mee die vlaktes vormen, sandr of spoelzandwaaier genoemd. Deelen,
Schaarsbergen, Wolfheze, Heelsum en Renkum liggen op dezelfde spoelzandvlakte, waarvan
het zand afkomstig is van het gebied van Deelen.
2. H.A. Heidinga, Veluwepost 19-07-2002, pag. 23.
3. J. Tersteeg: Enkele hoofdzaken uit de geschiedenis van het oude kerspel Renkum in Bijdragen
en Mededelingen, dl 67, 1973. H.A. Heidinga: De Veluwe in de vroege Middeleeuwen;
aspecten van de nederzettingsarcheologie van Kootwijk en zijn buren. A. Stern: Graafschap
in de Middeleeuwen: Adela 97?-98? Gravin van Hamaland; Immed 953-983, Graaf van de
Veluwe; Ondergang van Hamaland. Downloads dd. 20-02-06. J.M. Van Winter: Het bisdom
Utrecht tussen Gelre en Holland in, Gelre, Geldern, Gelderland. Geschiedenis en cultuur van
het hertogdom Gelre. Th. Van der Zalm: Adela van Renkum lijdt nog steeds onder een "slechte
pers" in Schoutambt en Heerlijkheid 1/2000. R.M. Kemperinck: Adela van Hamaland ca. 955-
voor 6 augustus 1028, gravin in Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 2. Oudheden en
gestichten van het bisdom Deventer (Grol) door H.VR.
4. De Geschiedenis van het noordoosten van Brabant ca. 1200-1795 van G.F. van der Ree-
Scholten, 1993.
5. D. Verbeek Jr., H. van Gortel: De Geschiedenis der Neder Veluwe, Deel I, 1888 en A.A.
Beekman: Geschiedkundige atlas van Nederland. De gewesten van Noord- en Zuid Nederland
in 1300. Uitg. M. Nijhoff, 1932.
6. A.A. Beekman. Geschiedkundige atlas van Nederland. De gewesten van Noord- en Zuid
Nederland in 1300. Uitg. M. Nijhoff, 1932 en P.N. van Doorninck e.a. Acten betreffende Gelre
en Zutphen 1107-1415.
7. ZieookMattheus7:15, 10:16 en Lucas 10:3.
8. Geldersche Volksalmanak 1886, pag. 193.
9. The rule of the game, Science 295, 2273-2276, 2002.
10. Anno 2002 zijn er in acht westeuropese landen ca. 2850 wolven (0,11 per 1000 km 2 ), in 10
middeneuropese landen ca. 3750 (4,2 per 1000 km 2 ), en ca. 7750 in vier oosteuropese landen,
excl. de Russische Federatie (6,7 per 1000 km 2 ). Bronnen: Readers Digest, november 2003,
nr. 554, pag. 44, en Wereld Atlas, 3° editie Wolters Noordhoff.
1 1 . NRC van 27 augustus 2005, Wetenschap & Onderwijs.
12. Andreas, weerwolven en weerberen.nl; download juni 2004.
13. De strijd tegen de wolven op de Veluwe, A. Oltmans, Bijdragen en Mededelingen 1923 pag. 91,
en W. van de Poll, Geldersche Volksalmanak 1 886.
14. Etymologisch Woordenboek, l c druk, Van Dale Lexicografie, ISBN 90-6648-3 12-1.
15. In de 2" helft van de 19 e eeuw is er een Oosterbeek-schilder geweest die een stuk inzendt
naar een internationale tentoonstelling dat hij "Wolferen" noemt, terwijl het in Wolfheze is
gemaakt.
16. Brochure RDO. Geschiedenis van het Christendom en van de christelijke kerk in Nederland
gedurende de Middeleeuwen, dl II, Utrecht, 1853. H.J. Royaards. Site RDO, download
14-10-2007.
17. Archief Geldersche Rekenkamer 1559-1795 etc. Jhr. Mr. A.H. Martens Van Sevenhoven, deel
I, 1925. Schimmelpenninck Van der Oije van Nyenbeek; Hacke-Oudemans; Van Winter; site
Streekarchivariaat N.W Veluwe; D. Otten Landschap en plaatsnamen van de West- Veluwe;
www.barneveld.nl >kronieken
18
2. KERSPEL EN NEDERZETTING
2.1. PAROCHIE
Over de vroegste parochiele indeling van de Veluwezoom bestaat grote onduidelijkheid.
Wei is bekend dat er daarna parochiescheidingen hebben plaats gehad, maar wanneer precies,
in welke omvang en naar aanleiding waarvan is weer onduidelijk.
Heidinga geeft in zijn "territoriaal model" van de Veluwe een schematische parochie-indeling
weer, zie 3.3.
Oltmans meent dat er in de 1 l e eeuw een kerspel Wolfheze is dat in het zuiden grenst aan de
Rijn. De noordgrens trekt hij nabij de Wolfhezer kerk en dat is aannemelijk: kerken worden vaak
aan de parochiegrens gebouwd, op zo groot mogelijke afstand van naburige parochiekerken.
De kerken van Oosterbeek en Renkum liggen in het zuiden, niet ver van de Rijn.
De oost- en de westgrens beschrijft Oltmans niet, maar die liggen in zijn visie ongetwijfeld
dicht bij de kerken van Oosterbeek en Renkum.
Echter, de door Muller gepresenteerde kaart 1 , weergevende de kerkelijke indeling omstreeks
1560, toont een parochie die groter is.
Afgaande daarop liggen de belangrijkste hoekpunten van de parochie ongeveer op de volgende
lokaties:
Noordwesten:
Nabij de Buunderkamp, op de lokale zandweg ettelijke honderden meters ten zuiden
van de tunnel onder de A 12.
Noordoosten:
Nabij 't Hazeleger, op de Wolfhezerweg iets ten zuiden van de aansluiting van deze
weg op de Amsterdamse weg.
Zuidoosten:
In Heveadorp, daar waar de Beeklaan bij de Rijn uitkomt.
Zuidwesten:
Nabij Heelsum, daar waar de Zwarte Kolkbeek (op dit punt de Heelsumse beek
genoemd) in de Rijn uitmondt.
De kaart geeft aanleiding tot verschillende observaties.
• In de loop der tijd neemt het wereldlijk bestuur vaak de grenzen over van de kerk 2 , waarbij
de oude parochiegrenzen (veelal) onaangetast blijven. Dat is, althans in grote mate, ook het
geval met parochie Wolfheze en de belendende kerspels van Oosterbeek en Renkum: de grens
van de huidige gemeente Renkum komt goeddeels overeen met de buitengrenzen van de
parochies van Renkum, Wolfheze en Oosterbeek.
19
GRENZEN VAN DE GEMEENTE RENKUM ANNO 2007
De buitengrenzen zijn aangegeven in dikke rode lijnen, de voormalige binnengrenzen in dunne
rode lijnen. Met dank aan R. van Aalst, Technisch Bureau Gemeente Renkum.
• Verder valt op dat de Zwarte Kolkbeek de grens vormt tussen de parochies Wolfheze en
Renkum op ca. de laatste 2 km van zijn traject tot de Rijn. Volgens Nijhoff is de beek later de
grensscheiding tusschen de schoutambten Renkum en Dorenweerd.
• Van de drie parochies is die van Wolfheze de grootste qua oppervlakte, mogelijk ter
compensatie van een extensieve bewoning.
• Kerspel Oosterbeek heeft een vreemde vorm. Geen lange, min of meer rechte lijnen
die kenmerkend zijn voor een vrijwel leeg en onontgonnen gebied. Het gebied lijkt te zijn
afgebakend door afspraken. En inderdaad hebben verschillende heren - de hertogen van
Gelre, Brabantse leenheren, de Maartenskerk en het St. Pieterskapittel te Utrecht - er gronden
gehad. Het wildforstergoed ligt in parochie Oosterbeek door een uitstulping in de noordwester
kerspelgrens.
De noordgrens van dit kerspel valt samen met de heerwech op het stuk van Mariendaal naar
Wolfheze. De westgrens komt ongeveer overeen met de route vanaf het Drielse veer via de
Koude Herberg naar de heerwech. Het zuidwestelijke deel van de grens wordt gevormd door
de Seelbeek, die ook de heerlijkheid Doorwerth aldaar begrenst.
• Het zuidelijk deel van kerspel Wolfheze heeft de contouren van de heerlijkheid
Doorwerth.
• Het valt op dat het noordelijk deel van parochie Renkum overeenkomst vertoont met het
noordelijk deel van kerspel Wolfheze. In dit verband dient zich de vraag aan of deze grenzen
zijn terug te voeren op bestuursverhoudingen in de Vroege en de Voile Middeleeuwen. Bekend
is dat de marken langs de Rijn en Yssel de vorm hebben van vrij smalle stroken, die vanaf de
rivier landinwaarts lopen* en gemeend wordt wel - alhoewel niet door Sloet, 1 859 - dat Harten
(Oud-Renkum) en Wolfheze zijn voortgekomen uit oude (hof)marken.
2(1
Hoe dat ook zij, uit een stuk van 18 juli 1657 4 blijkt dat de noordgrens van Wolfheze - dan
Nieuw Wolfheese genoemd - in elk geval aan de Hertensche beek ligt 5 .
DRIE PAROCHIES OP DE VELUWEZOOM
Nu eerst een vergelijking van de drie parochies die thans gezamenlijk de gemeente Renkum
vormen.
Renkum
Het belangrijkste, meest prestigieuze kerspel is ongetwijfeld dat van Renkum geweest. De
oudste vermelding van de kerk dateert uit 1031 en van de parochie van Renkum uit 1 183.
Enerzijds is hierover het meest bekend, anderzijds ontbreekt een samenhangende visie op
dit gebied. Renkum of een deel ervan heeft lange tijd deel uitgemaakt van het Veluwse
grondgebied van het geslacht Hamaland en is de woonplaats geweest van Adela van Hamaland
en haar echtgenoten. De plaats heeft banden met Paderborn en Elten. Het kerspel heeft een
kapel en een klooster gehad. Verder is Renkum vanaf 1380 - wanneer een beeld van Maria uit
de hemel zou zijn neergedaald - eeuwenlang een belangrijke bedevaartplaats geweest, het rijke
en aanzienlijke Mariaklooster.
Dan is daar - vanaf 1 372 of eerder - kasteel Grunsfoort (Groensvoerde, Grensvoort, Grunsfort),
dat vermoedelijk is bedoeld als grensvesting tussen Gelre en het Sticht, vergelijk met kasteel
ter Horst bij Rhenen. Het heeft een strategische ligging gehad, nabij de heerwech, beken en de
Rijn. De naam suggereert een doorwaadbare plaats, hoogstwaarschijnlijk een voorde door de
beek aldaar, maar dat staat niet onomstotelijk vast.
Grunsfoort ligt bij het beekdal, maar bezit in 1492 een uiterwaarde, gelegen bij 'leexken aen 't
veerstat ', de voorde zou dus ook de Rijn kunnen betreffen. Het Lexkesveer dateert van ver voor
de Vroege Middeleeuwen en vormt de verbinding tussen de Veluwezoom en de stapelplaats te
Randwijk die er rond 1 180 gedurende enige tijd is geweest. De buurschap Harten, met kapel,
ligt in parochie Renkum.
Rond 1600 is er op Renckem opte stee daer Lubber op gewoent heeft een wildforstergoed
geweest; de exacte lokatie is nog onbekend. Wellicht is er nog een tweede wildforsterij geweest
en wel bij Lubber's buurman 6 .
Wolfheze
Minder aanzienlijk is de parochie van Wolfheze.
Echter, met kasteel en heerlijkheid Doorwerth in het zuiden en delen van het wildforstergoed
in het noordoosten van de parochie zal het kerspel toch enig aanzien hebben gehad. Kerk en
omliggende gronden zijn eigendom en leenbezit van hoogadellijke huizen en dat zal zeker
hebben bijgedragen tot het aanzien van de parochie.
Vooral Doorwerth heeft groot aanzien. Van Slichtenhorst beschrijft het goed als volgt De
Heerlykheyd van den DOORENWEERD, de heerlijxte en grootste van de gantsse Velouw
Binnen het gebied van de heerlijkheid zijn afzonderlijke territoria van hoge - de galg heeft
gestaan op de Oordberg, nu de Noordberg - en van lage jurisdictie.
Oosterbeek
Oosterbeek, kerspel en dorp, is in de Middeleeuwen nimmer goed tot ontwikkeling gekomen. Er
zijn enkele hoeven geweest van de hertog van Gelre, waarvan de Dusinckhof de belangrijkste
is, en de oude Seelbeekhof, lange tijd in het bezit van de Maartenskerk en het St. Pieterskapittel.
Voor het overige zijn er kleine boerenbedoeninkjes geweest. De wildforsterhoeve ligt in
parochie Oosterbeek, maar het is - vooral gelet op zijn ligging - de vraag of dit goed heeft
bijgedragen aan de economie van de parochie.
De heerlijkheid Rosande ligt deels in parochie Oosterbeek. Het kasteel staat in parochie
21
Arnhem, wordt voor het eerst genoemd in 1313 en wordt in de 16 e eeuw enkele malen
verwoest.
Van de drie parochies is dit kerspel ongetwijfeld het minst belangrijk geweest.
In feite is dit een vrij opvallende constatering, gegeven de ligging van het dorp aan de Rijn en
aan de zeer oude en belangrijke noordzuidweg, elders in dit werk besproken. Een verklaring
kan zijn dat het dorp geen rol heeft kunnen spelen in het vrachtvervoer vanaf en naar de
Veluwe, omdat dat voorbehouden is gebleven aan de heerwech, waaraan Renkum en Wolfheze
wel hebben gelegen. Meer daarover in hoofdstuk 7.
Een andere mogelijke verklaring is dat het gebied al vanaf de Voile Middeleeuwen versnipperd
is geweest over een aantal eigenaren en bezitters: de al genoemde Utrechtse kerken, de heren
van Gelre en van Brabant en diverse leenmannen van Seelbeek.
>*""^i /t
VELUWSE EN BETUWSE PAROCHIES IN HET RIJNGEBIED CA. 1560
Het jaar waarin de Wolfhezer parochie wordt omgezet in de parochie
Heelsum/Wolfheze is niet precies bekend, maar ligt in het tijdvak 1545-1561.
Bron: De kaart van het bisdom Utrecht in 1560 door S. Muller Hzn, 1919.
WOONKERNEN IN KERSPEL WOLFHEZE.
Parochie Wolfheze heeft vier woonkernen gekend.
Noorden
De oudste kern van het noordelijk deel van de parochie ligt rondom de kerk. Bekend is dat de
RDO in de 13 e eeuw gronden en hoeven te Wolfheze heeft en die zullen daar hebben gelegen.
Dit gebied wordt hoj "Wolfheze 1 genoemd.
Het gebied ten noorden en ten noordoosten van de kerk heeft zich niet of nauwelijks economisch
ontwikkeld. Kaarten uit de Late Middeleeuwen tonen aan dat daar geen cultuurgronden zijn
en geen opstallen. Dit deel van de Veluwe is tot ver in de Nieuwe Tijd een wilt en byster lant
22
gebleven.
De gronden van de wildforsterij in het oosten van parochie Wolfheze worden vanaf 1366,
maar vooral in de 16 e eeuw ontwikkeld.
Oosten
De buurtschap Seelbeek met enkele hoeven 9 . Hof Seelbeek - een lage heerlijkheid - ligt
nog juist in parochie Oosterbeek, maar enkele daarbij behorende hoeven hebben tot kerspel
Wolfheze behoord.
Zuiden
Het zuidelijke deel van parochie Wolfheze wordt sinds de 13 c eeuw of eerder bewoond door
de kasteelheren en huis-, tuin- en keukenbedienden. Dit deel is congruent met de heerlijkheid
Doorwerth. Volgens de Boer 8 bestaat de heerlijkheid als bestuursvorm reeds aan het einde
van de 13 e eeuw. Huis Doorwerth heeft al voor 1402 gronden elders in kerspel Wolfheze,
waarschijnlijk in het zuidoosten van de parochie. Deze gronden blijven tot ver in de 17 e eeuw
en mogelijk langer in handen van de heren van Doorwerth.
Westen
De buurtschap Heelsum komt pas later tot ontwikkeling. Een stimulans zal zijn uitgegaan
van de komst van de kerk aldaar in 1519, later - tegen het einde van de 16 e eeuw - versterkt
door het wegvallen van de Wolfhezer kerk als concurrent. Maar rond 1555 is de bevolking van
Heelsum nog weinig omvangrijk. In de nog te behandelen "pastoorskwestie" die in deze tijd
speelt wordt gesteld dat er soo weynich kerspelluyden daeronder (de kerk aldaar) gehoorich
2.2. DE NEDERZETTING
AGRARISCH SAMENLEVING
Over de bevolking van Wolfheze in de Middeleeuwen is weinig meer bekend dan dat het een
kleine, agrarische samenleving heeft gevormd 10 .
De eerste melding van (voorgenomen) agrarische aktiviteit komt uit een rekening van het
Richterambt Veluwe. Hierin staat dat in 1333 gronden te Wolfheze worden aangemaakt zonder
toestemming van de heer.
De bevolking leeft van zelfverbouwde peulvruchten, rogge, gerst en haver. Tarwe is
waarschijnlijk het minst belangrijk en boekweit zal vanaf de 14 e of 15 e eeuw in opkomst zijn.
Er is mogelijk enige vlasteelt geweest. De volksdrank is bier.
Wellicht is er - in de loop van de eerste helft van de 17 e eeuw - enige tabaksteelt door de
achtergebleven bewoners van hof Wolfheze en door de uitbaters van de wildforsterij.
De akkers zijn vaak nog te herkennen aan de ophogingen in het veld.
De veeteelt is kleinschalig. Aanvankelijk vooral varkens en kippen, later ook schapen -
inclusief de gespecialiseerde schapenhouderij van de nog te bespreken laatste Evert Van Wilp
- en koeien.
Ook mensen met een gespecialiseerd beroep - ambachtslieden, kosters, pastoors, molenaars
- voeren een boerenbedrijfje. De opbrengsten dienen als dagelijks levensonderhoud, als
betaalmiddel bij aankopen en ter vereffening van lonen, pachten en tienden. Vanaf ca. 1300
wordt geld steeds belangrijker als betaalmiddel.
23
Kinderen worden ingeschakeld in het werk op de boerderij.
Met het vorderen van de tijd groeit de bevolking van de Veluwe en vinden er steeds meer
ontginningen plaats. Dat leidt soms tot ingewikkelde situaties. Op woeste gronden kunnen
allerlei heerlijke rechten rusten (jachtrecht, varkens- en schapenweiderij, bijenteelt), die
verloren gaan als de gronden worden ontgonnen. In Wolfheze is het vooral het wildforstergoed
dat woeste gronden cultiveert.
De omliggende natuur - heidevelden, bossen, beken - wordt zoveel mogelijk ingeschakeld in
de strijd om het bestaan of om het leven te veraangenamen. Het bos wordt gebruikt voor de
produktie van hak- en boerengeriefhout, maar ook - tegen betaling van een vrij lage vergoeding
- voor het weiden van schapen, koeien en van varkens in de herfst (eikelmast, beukennootjes),
het halen van strooisel en plaggen, de houtsprokkel en het verzamelen van bosvruchten.
HEIDEPLAGGEN
Voor het "oogsten" van heideplaggen bestonden de termen plaggen slaan en plaggen maaien.
Daarvoor werden een plaggenhak en een plaggenzicht gebruikt.
Bron: Geldersche Volksalmanak 1942, pag. 172 Oosting.
Zo zal men als aanvulling op het dagelijkse menu veldbessen, kastanjes, eikels (koffie) en noten
(olie) hebben verzameld. Voor de huisapotheek zijn b.v. in trek geweest berkensap (suikers),
berkenblad (vitamines, caroteen, suikers), berkenbast (voetbaden, huidaandoeningen),
brandnetels (vitaminen, mineralen, prote'ines), varens (lintworm). Galnoten zijn verzameld
voor de aanmaak van inkt en berkenbast is mogelijk gebruikt als (voorloper van) papier en - al
of niet samen met heideplaggen - als dakbedekking. Eikenschors en -blad dienen als grondstof
van looistoffen.
In huisvlijt zijn bezems en borstels gemaakt van heidestruiken; 66k van de heidevelden
afkomstig is heideturf. Heide wordt gemaaid voor veevoer. Heideplaggen worden gestoken op
die plaatsen waar voldoende humus aanwezig is, want daarom gaat het en niet om het zand.
De plaggen worden gebruikt voor de muren van de huizen en voor het aanmaken van mest in
de stal. Heidestruiken worden gebruikt voor de daken. Wellicht heeft men mede gemaakt, een
alcoholische drank, verkregen door gisting van heidehoning.
Bijen leveren niet alleen honing. Twee ander producten zijn was en een soort kit (propolis).
De was zal tot schrijftafels en kaarsen zijn verwerkt. De kaarsen zijn bestemd voor eigen en
kerkelijk gebruik, als ook om te worden geplaatst rondom een overledene om de boze geesten
af te schrikken en vooral de satan, die een vijand is van het licht.
24
De schapenteelt is populair.
Het schapenvacht is tot wol verwerkt, als het althans niet wordt gebruikt als vlooienvanger
in eigen huis. De huiden van de schapen of van het andere vee dienen als basismateriaal
voor of worden verhandeld om te dienen als grondstof voor de vervaardiging van perkament,
lederwaren en kleding.
EEN VELUWSE SCHAAPSKOOI
Tekening A. van Dalen.
Veel van de minder of niet bederflijke waar is verkocht, d.w.z. geruild, want de handel is tot in
de 14 e eeuw grotendeels ruilhandel.
Het jachtrecht op de Veluwe is van ouds in handen van de landsheer.
Er zijn slechts enkele geslachten, waaronder de Heren van Doorwerth, die het recht hebben
te jagen zonder voorafgaande toestemming van de graaf. De jacht zal dus voor de
Wolfhezenaren niet toegankelijk zijn geweest - de straffen op overtreding van de jachtwetten
worden allengs zwaarder - behalve als drijver.
Kerk, kerkterrein en kerkhof hebben zeker als marktplaats gediend.
In de agrarische samenleving heerst een bepaalde - hoge - mate van buurschap, een systeem
van burenhulp waaraan men zich niet gemakkelijk zal hebben kunnen onttrekken.
Vanaf 1366 bestaat het dorp in feite uit twee boerengemeenschappen, die in menig opzicht
elkaar's tegenpool zijn.
• Hof Wolfheze, bestaande uit kerk, schans, akkers, boerenhoeven en wellicht een molen, is
in handen van de hoge adel: de huizen Van Montfoort, Van Wijhe, Van Wilp en de RDO te
Utrecht of diens landcommandeurs. Huis Doorwerth krijgt pas ver in de Nieuwe Tijd rechten
op hof Wolfheze. De hof ligt aan de noordzijde van de Zwarte Kolkbeek en in parochie
Wolfheze.
Het boerenbedrijf, bedreven door de pachters van de zojuist genoemde huizen, is kleinschalig.
De leenheer en de leenmannen wonen elders. Hun onderlinge relaties worden besproken in de
paragraaf Netwerken in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 6.
25
• De tweede gemeenschap wordt gevormd door het wildforstergoed, sedert 1366 in het dorp
gevestigd.
De hoeve van het wildforstergoed ligt in 1560 - of dat in 1366 ook zo was is onbekend
maar het is wel waarschijnlijk - in parochie Oosterbeek, de gronden deels daar, deels in
parochie Wolfheze en - later, als er meer woeste gronden worden ontgonnen - deels in kerspel
Arnhem.
De akker Arnts Enck, de grootste akker van het goed gedurende de tijd van 1366 tot ca.
1560 ligt grotendeels en wellicht geheel in kerspel Wolfheze. Het bedrijf heeft een grote
omvang en de leenbezitters in de periode van 1366 tot aan 1540 behoren tot een familie, de
Van Lawijcks. Zij hebben hun woonplaats zo al niet op de wildforsterhoeve dan niet al te ver
daarvan verwijderd in de regio, n.l. eerst in Herveld en later in Wageningen.
Ongetwijfeld hebben de wildforsters voor de heren van Gelre en hun genodigden van tijd tot
tijd jachtpartijen georganiseerd in het gebied, waarschijnlijk vooral aan de oostzijde van het
dorp, maar ook ten noorden ervan in het zogenaamde Lawicker velt. De knechten van de
wildforsterij worden daarbij ingeschakeld als drager, wagenvoerder of drijver. De wildwallen
- ook wildgraven genoemd - dienen niet alleen om ongewenst wild buiten te houden, maar zijn
ook geschikt om er het wild tegen aan te jagen en te doden.
De eerste wildforster is Arend Van Lawijck van het gelijknamige Overbetuwse geslacht. De
familie heeft regionale betekenis. Hij krijgt het goed in leen van Eduard van Gelre en heeft
het goed beheerd van 1366 tot 1402.
De Van Lawijcks zijn ongetwijfeld belangrijke dorpelingen geweest.
Daarom nu eerst een voorlopige opsomming van de rechtsopvolgers van Arend; de archieven
zijn incompleet en de gegevens niet steeds correct.
• Roloff Van Lawijck, 1402-1424
Het Leenaktenboek zegt: Roloff van der Lawich ontfengt dit, a". 1402 , volgens baron van
Lawijck waarschijnlijk als erve zijns vaders. Ruim 20 jaar later wordt de belening bestendigd:
Idem ontfengt den groten thienden met den smalen thienden, gelegen tot Hervelt, ende een
stuck landts, geheiten dat Oeverstuck, ende 5'/i mergen lants, gelegen tot Driel, ende een stuck
lants, gelegen in den kerspel to Elden, a" 1424.
• Arnt Van der Lauwick Rolofssoon, 1424 - ?
• Henrick Van Lawyck, > 1473 tot einde 1490-er jaren of later.
Wie Henrick als leenman van het wildforstergoed opvolgt en wanneer is onbekend.
Drie Van Lawycks kwalificeren zich voor deze rol: a/ Roelof Van der Lawick, zoon van
laatstgenoemde Arnt Van der Lauwick Rolofssoon. Hij is eerst kanunnik te Elst, maar trouwt
later en heeft een zoon die bekend is als Arnt Van der Lauwick tot Ray. b/ Jan Van der Lauwick
tot Raden, een broer van kanunnik Roelof en c/ Roelof, zoon van Henrick Van Lawyck.
Hoe dit ook zij, op zeker moment krijgt de zoon van kanunnik Roel het goed in leen.
• Arnt Van der Lauwick tot Ray, ? - 1531
In het Leenaktenboek wordt hij en passant vermeld, niet met name maar als erflater van
Gertrud.
26
• Gertrud Van der Lauwic to Ray, 1531-1539
Gertrud , huysfrou Gijsberts van Danse, erve hares vaders Arnts, 28juli 1531.
Er staat de volgende noot bij: Ind so ditselve leen etzelicke jaeren van Gijsbert ind Gertruyt
vurs. versuymt und nye aen mijnen genedigen lieven heeren versocht noch ontfangen is....
also dat sijnre f. gen. dit alinge leen vervallen ind gebrueckt was, heeft doch sijne f. gen.
om trouwen, mennichvoldigen dienst wille, den Gijsbert in der wederinneminge der stede
Arnhem ind Tiell, ongespairt lijffs ind levens, ind sits anders bewesen hiefft, sulicke bruecke
ind versuymenisse guedelich aversien ind quijt gegeven (leenakte). Arnt van Danse, Gertrud's
oudste zoon, krijgt ook rechten op het goed. Eadem (= Gertrud) met haren oltsten soon Arnt
van Danse transporteren op Jacob Snabbe alle voors. parcelen, eodem die.
Idem eedt vernijt, 6 Septembris 1538.
• Het echtpaar Droechscherer, 1540 - > 1553
Johan en Anna Droechscherer nemen het goed in januari 1 540 over van Gertrud.
De Droechscherers zijn waarschijnlijk afkomstig uit Arnhem. In elk geval heeft de familie
rond 1528 enige grond aldaar. Na de dood van Johan in 1547 neemt Anna het beheer van het
goed ter hand, maar onbekend is tot welk jaar precies. Aangenomen wordt dat het echtpaar
kinderloos is want de wildforsterij wordt overgedaan aan zwagers van Anna.
• Johan Bouwmeyster, Henryck Herbers, > 1553 - > 1570
Waarschijnlijk zijn de beide heren erfgenamen en opvolgers van Anna Droechscherer. Ze doen
er veel aan het goed te verbeteren en uit te breiden. Uit een kaart van de domeinbezittingen
doorTh. Witteroos van 1570 blijkt dat Henryck Herbers ook eigenaar is van de Silverenbergh
dat op de kaart van 1616 van Kempinck staat aangegeven Den kleynen Silverbergh-
Bouwmeysters, c.a. Dit gebied ligt ten zuiden van de Utrechtseweg, nabij de aansluiting daarop
van de Wolfhezerweg. Verder worden tussen de jaren 1567 en 1573 gronden - in hoofdzaak
domeingronden - aangekocht en ontgonnen die liggen tussen Arndt Enck (aan de westzijde
van hotel Wolfheze) en Dreyen.
Rond 1600 lijkt het goed te gaan met het wildforstergoed. Althans, in een stuk uit 1600
van de Gelderse Rekenkamer wordt het "aangeslagen" voor twee wildkarren. Maar niet uit
te sluiten is dat de dubbele aanslag te maken heeft met het feit dat het leege erff in parochie
Oosterbeek ligt en Arndt Enck in kerspel Wolfheze.
• Dr. Deft Elisabeth Beth (of Deft), < 1628 - 1665
In de eerste helft van de 17 e eeuw wordt het goed verpacht aan de Amhemmer Deft.
Volgens Demoed bepaalt de overeenkomst dat de pachter de door het oorlogsgeweld verwoeste
gronden weer in cultuur moet brengen en hoe hij dat dient te doen. Het land tegenwoordig
met heet bewassen en voor desen bebouwt geweest moet weer bequaem (worden gemaakt) om
cooren te draegen. De pachter moet zoveel personeel hebben en zo veel vee als nodig is om
het land in beter gerack als voor desen te doen geraken. Voor wat de schapen betreft wordt
bepaald dat de pachter er 's zomers 250 dient te houden en 's winters minimaal 200; ook dient
hij de schapen te schutten die zonder toestemming op het Wolfhezer veld worden gedreven.
Ten aanzien van dit laatste punt ontstaat in 1628 een conflict tussen Deft en de eigenaren van
Hoog-Oorsprong en de Sonnenberg. Het leidt tot een proces en de uitkomst daarvan is dat
laatstgenoemde van Dr. Deft toestemming ontvingen tot schaapsdrift op voorwaarde dat deze
daarvoor jaarlijks een goet vet lam betaalt; later worden er nog 2 hoenders aan toegevoegd. Of
die toestemming van Deft nu alleen aan de heer van de Sonnenberg is gegeven of aan beide
opposanten is uit de tekst niet goed op te maken.
27
Op 14 december 1 665 dragen Elisabeth Deft, weduwe Johan Rombius en haar mede-eigenaren
het goed over aan Dr. Johan Swaen en zijn echtgenote Anna Leeuwens in Arnhem.
Tot zover de beheerders van de wildforsterij. Meer details in een separate studie van de
auteur.
KRUISPUNT VAN WEGEN
De nederzetting ligt bij een kruispunt van belangrijke wegen, volgens de kaart De oude wegen
op de Veluwe, gedeeltelijk gereconstrueerd uit Gelre het grootste verkeersknooppunt op de
Veluwezoom.
Deze wegen zijn niet de ongeplaveide voorgangers van de huidige verkeerslinten, maar zijn -
soms breed uitwaaierende - karrensporen in het veld. De kerktoren is ongetwijfeld een baken
waarop de weggebruikers zich orienteren als zij omwegen moeten maken om diepe kuilen en
plassen te vermijden.
De twee belangrijkste routes zijn:
• De heerwech
Tussen Arnhem en Wageningen heeft eeuwenlang een weg gelegen, den Heerwech oft openen
wech (1553), die in dit werk met de term heerwech wordt aangeduid.
Andere benamingen 11 zijn:
wegh na Wolfheze (1602), Wolffheser waghen weg en ouden Uytregtschen wegh (beide 1616)
en de heerstraet van Utrecht naer Arnhem (1642). Nog weer latere benamingen: Schelmseweg
(1756), en de Weg van Renkum naar Hoog Wolfheze (1832).
Vanaf de 17 e eeuw verliest de weg aan belangrijkheid en neemt de huidige Utrechtseweg het
meeste verkeer over. Vandaar de benaming ouden Uytregtschen wegh voor de dan voormalige
heerwech. In een stuk uit 1625 wordt de weg Heelewech genoemd 12 .
DE ST. JAN'S PLAATS MET DE GELIJKNAMIGE POORT TE ARNHEM,
BEGIN- OF EINDPUNT VAN DE HEERWECH
De heerwech verbindt de hanzesteden Arnhem (sinds 21 mei 1437, na een onderbreking van
meer dan een eeuw) en Wageningen (1540) en is dus ook een hanzeweg geweest. Hanzewegen
maken vaak gebruik van oudere verkeersroutes en zijn over het algemeen niet ouder dan de
14 e eeuw.
28
Het beloop van de weg is goed te zien op de Gelre kaart.
]\
{
Q 5
i i
lokm / J
-A u£
ixy
t y
^--A /^^"se
fte^ J%!»
.,. ■■:■..;.;' -
-^5 y /
Jboitf
/ \ X
.^x /
i :■■-■'.■■.;
■■■'■'. ■■■■■. ,-. . ■■■ . ■
I ]
tJL
*-dk
y X
Ua/ \
r~^Sh\
\ J^ J! . :■.,/■'.-
jf ^^Ll
_^^fc :
/% fni&-- ■• \f'
; - ; iL-» **fc
Lm- ; ■
1 /\ / / J^ — ^
■ : * ^*-4
■..;.,.-.■«*!* V
x \ - ; / y /
^— — -*\ ■
f \ ty r y
V X A (/
i-v^l ./ "^ ■■'"■"■■
■ ■ .. ,",: ■,■: ■:■ . :■ ■
OUDE WEGEN OP DE VELUWE, DEELS GERECONSTRUEERD UIT "GELRE"
Bron: Historische plattegronden van Nederlandse steden in Gelderland, dl 81, pag. 4.
De heerwech begint in Arnhem bij de St. Jan's poort". Buiten deze poort splitst de weg zich af
van de weg naar Amsterdam 14 en voert dan langs de noordzijde van de gronden van het klooster
Mariendaal (Marienbron, Maria? Fons, Fonteinklooster) richting Airborne begraafplaats.
Vandaar via de noordkant van Dreyen en de zuidzijde van Papendal, langs de noordzijde van
de wildforsterij, de zuidkant van de kerk en iets verder zuidwestwaarts langs de noordzijde
van het Stratius Rondeel en door een landweer.
TWEE GRAFHEUVELS LANGS DE HEERWECH BIJ WOLFHEZE, NABIJ DE KERK
24
Vandaar loopt de weg via de noordzijde van de Heelsumse kapel, de noordzijde van het
klooster te Renkum en de zuidzijde van de kerk aldaar naar Wageningen. Deze plaats wordt
aan de noordzijde gepasseerd.
De weg is gedurende eeuwen de belangrijkste verkeersader geweest tussen Arnhem en
Wageningen. In de Late Middeleeuwen "bedient" hij zeven kerken en kapellen (Wolfheze,
Heelsum, Harten/Wageningen, twee te Renkum en twee te Wageningen), drie kloosters
(Mariendaal, Renkum, Wageningen), twee kastelen (Renkum, Wageningen) en twee - mogelijk
drie - wildforsterijen (Wolfheze, Renkum).
Wolfheze ligt op het meest noordelijke punt van de heerwech.
De vraag dient zich aan hoe oud de weg is.
Voorlopig is er alleen de hypothese dat de weg al voor de Late Middeleeuwen in gebruik is
geweest:
> Rond 1250 neemt ene Albert von Stade in zijn wereldkroniek een landroute op die pelgrims
uit Rome en Keulen in de Middeleeuwen volgen om de noordelijke Lage Landen te bereiken:
Keulen-Neuss-Xanten-Arnhem langs de linker Rijnoever. Bij Arnhem steekt de pelgrim de
rivier over en vervolgens trekt hij via Zeist naar Utrecht. Het traject Arnhem - Zeist wordt niet
uitgewerkt.
> Alberts maakt melding van een weg Arnhem - Wageningen 15 en zegt er het volgende over:
De verbinding met het westen van de Noordelijke Nederlanden, met Holland en Utrecht, liep
- voor zover het de overlandverbinding betreft - in hoofdzaak van Arnhem over Wageningen
naar Utrecht.
Ook hij werkt het traject over de Veluwezoom niet uit.
In separaat onderzoek door deze auteur is aannemelijk gemaakt dat hiermee de heerwech
moet zijn bedoeld:
> Een deel van de weg (St. Jan's poort - Airborne begraafplaats Oosterbeek) is al in de
Vroege Middeleeuwen in gebruik. Immers, ter hoogte van deze begraafplaats is een
vroegmiddeleeuwse vindplaats van ijzerslakken aangetroffen, waar 75 a 150 ton smeedijzer
moet zijn gewonnen. Het ijzer zal naar Arnhem zijn vervoerd of juist naar Wolfheze om aldaar
te worden gecombineerd met het ijzer afkomstig uit de Uddeler schans en onderweg naar de
Rijn bij de Dunoschans.
> In theorie kan de heerwech nog ouder zijn.
Leyden laat ruimte voor de veronderstelling dat hij onderdeel is geweest van de groote heirweg
van Doesburg (en Dieren) via Arnhem, Wageningen, Rhenen en Amerongen naar Utrecht.
Deze heirweg zou dateren uit de Romeinse tijd. Een verklaring kan zijn dat het verkeer door
deze weg te gebruiken geen last had van de Romeinen. Borman zegt: Korte tijd, in ieder
geval tussen 47 en 70 na Christus stond ook een ongeveer 15 km brede strook op de rechter
oever onder directe controle van de militaire machthebbers. Men hield deze strook vrij van
bewoning om niet door plotselinge overvallen van de stammen uit het vrije Germanie te
woreden verrast. Ook stammen die er zich wilden vestigen werden geweerd.
> Zelfs is het voorstelbaar dat de heerwech uit de prehistorie dateert.
Over meerdere plaatsen langs de heerwech worden prehistorische vondsten en vermoedens van
prehistorische aktiviteit gemeld: Leeren Doedel - grafveld; Papendal - kinderbegraafplaats;
30
Dreijen (Oosterbeek) - draaiburcht (labyrinth); Wolfheze - grafheuvels; Renkumse beek -
bewoning; Dreijen (Paasberg, Wageningen) - draaiburcht (labyrinth) 16 .
Is de weg een grafheuvelweg geweest? Drenth en Lohof zeggen: Soms liggen grafheuvels
zodanig op een rij dat verondersteld wordt datze aan een weg waren gesitueerd 11 . Dit lijkt in
Wolfheze het geval te zijn.
Maar er is meer.
Roorda van Eysinga meent, afgaande op oude sporen bij de Bilderberg, dat de heerwech ook
is gebruikt voor het verkeer van Oosterbeek naar Renkum en Wageningen.
Tiemens zegt dat er voor het begin van de 19 e eeuw een weg - waarschijnlijk de Oosterbeekse
Turfweg - heeft gelopen van de oude Oosterbeekse kerk via het Zweiersdal richting Papendal
en dan naar Wekerom-Barneveld. De Turfweg heeft dan dus althans deels gebruik gemaakt
van (het restant van) de heerwech.
De Gelre kaart toont een weg vanaf de Oosterbeekse kerk naar de heerwech bij Heelsum. De
weg is op te vatten als een lokale weg binnen de heerlijkheid Doorwerth, waartoe Heelsum
behoort en als een "feeder" van de heerwech. De weg kan niet worden aangemerkt als een
belangrijke, zelfstandige verkeersader van Oosterbeek naar Wageningen en Utrecht en
illustreert in feite de belangrijkheid van de heerwech. Omdat de weg geen verbinding heeft
met Arnhem kwalificeert hij zich ook niet voor de landroute Arnhem- Wageningen.
Echter, Nic. Van Geelkerken - De Velouwe. Het laeste vierdeel van Gelderlandt, l e helft
17 e eeuw - tekent een weg van Arnhem naar Wageningen via de noordzijde van de oude
Oosterbeekse kerk en de kapel te Heelsum; te Heelsum fuseert deze weg met de heerwech.
Het vreemde van deze kaart is dat de heerwech vanuit Heelsum naar Wolfheze plotseling
"dood loopt" ter hoogte van Dreyen.
EEN WAGENVOERDER, EEN HESSENKERL IN 1577
Bron: Tentoonstelling "Sporen over de Veluwe", Museum De Bosbeek, Bennekom.
De heerwech-reiziger ondervindt weinig hinder van beken.
De weg passeert de kop van de Slijpbeek bij Mariendaal en die van de Zwarte Kolkbeek aan
de hoge kant en doorsnijdt de huidige gemeente Renkum vanuit het noordoosten naar het
zuidwesten, steeds ten noorden van de beken. Het voordeel daarvan is ook de beschikbaarheid
van water op elk moment. Tenslotte passeert hij de Heelsumse en Renkumse beken in het
zuidwesten.
31
Het traject is dun bevolkt en niet sterk geaccidenteerd en is vanaf de Airborne begraafplaats
zelfs gemakkelijk te bereizen.
Elk traject tussen de heerwech en de Rijn zou te maken hebben met precies tegenovergestelde
condities, alsmede met tollen vanwege de aanwezigheid aldaar van de heerlijkheden van
Rosande en Doorwerth.
£S£e ^jSjjjgi"-'
,^1^
■-**■*-
.
glf^Wl
5? ■ — *.
DE HEERWECH IS NU EEN WANDELPAD
• De noordzuidweg
Deze is zeer populair geweest en dateert hoogstwaarschijnlijk van ver voor de Vroege
Middeleeuwen. Komend vanuit het zuiden doet de weg Nijmegen aan en volgt dan ongeveer
het traject Driel-Oosterbeek-Wolfheze-Ginkel of vanaf Wolfheze naar Bennekom-Goudsberg-
Meulunteren-Barneveld-Amersfoort.
Het traject Oosterbeek- Wolfheze "loopt" als volgt: vanaf de Rijn via het Seelbeekdal tegen de
Veluwse stuwwal op in noordwestelijke richting, ten zuiden van Wolfheze naar de overgangen
van de Zwarte Kolk- en de Wolfhezebeek, waar in de 17 e eeuw nog de Heelsumse beek bij
komt. Deze beken worden gepasseerd op een punt waar de stuwwal laag is, ettelijke tientallen
meters westwaarts - stroomafwaarts - vanaf de sprengkop van de Heelsumse beek 18 .
Vandaar trekt men ten westen van de landweer en van de Koningsheuvel noordwestwaarts
verder, kruist men de heerwech en gaat dan over de Doorwerthse en Renkumse heide richting
Ginkel of Bennekom.
Het is niet waarschijnlijk dat vrachtkarren bij het Kousenhuisje en/of op een plek iets
oostelijk ervan de stuwwal afdalen of beklimmen, omdat die daar te steil is; lichtere wagens
lukt dat daar wel.
32
BEEKOVERGANG BIJ DE LANDWEER, BEZIEN VANUIT HET ZUIDWESTEN
De karrensporen zijn te zien rechtsboven en in de linker bovenhoek.
Bron: RAF 1945. Speciale collecties, Wageningen UR. Met dank aan R. Schaafsma, Heelsum.
NOGMAALS DE BEEKOVERGANG BIJ DE LANDWEER
De overgang bevindt zich daar waar de stuwwal laag is, nabij de wyerd en de landweer.
33
Aanvankelijk worden takkenbossen gebruikt om de wagen af te remmen: men laat ze achter
de wagen over de grond slepen of steekt een takkenbos tussen de spaken (kleffe).
Voor wat betreft het goederenvervoer is de heerwech lange tijd belangrijker geweest dan de
noordzuidweg. Later in dit werk wordt dit aspect uitvoerig behandeld.
Am Fit
Noordzuidweg
Heerwech
-
■^A-
—■ — "
BELOOP VAN DE HEERWECH EN DE NOORDZUIDWEG OP DE VELUWEZOOM
Beide wegen zijn belangrijk geweest voor het reizigersverkeer. Onder de passanten van
Wolfheze hebben zich bevonden lands- en stadsbestuurders, kloosterlingen, kerkelijke
hoogwaardigheidsbekleders, pastoors en kapelaans, bedevaartgangers (Renkum vanaf 1380!),
vrachtvoerders en "gewone" reizigers. En de wegen zijn natuurlijk ook gebruikt voor (inter)
lokaal gebruik door aanwonenden.
Het is voorstelbaar dat Wolfheze - en vooral de kerk - een min of meer belangrijke halteplaats
is geweest op de kruising van de heerwech met de noordzuidweg, waar reiservaringen en tips
zijn uitgewisseld tussen hen die de gevaarlijke Veluwe zuidwaarts verlaten en zij die nog aan
de gewaagde trip noordwaarts moeten beginnen.
De Arnhemse stadsrekeningen laten zien dat rond 1555 de Veluwe onveilig is gemaakt door
rondzwervende, afgedankte soldaten. Struikrovers - heidens genoemd - maken het reizen over
de Veluwe tot aan de 18 e eeuw een riskante zaak. Er zijn veelvuldig overvallen op wagens en
postkoetsen - die vaak in karavanen rijden - en er worden, tot na 1 600, regelmatig heidensjachten
gehouden, waarbij de heidens worden opgejaagd en neergeschoten als gevaarlijke dieren. Het
komt dan ook voor dat vrachtvoerders hun voorlopig overtollige goederen in depots begraven
in afwachting van betere tijden.
34
BEEK EN SPRENGEN 19
De Zwarte Kolkbeek is hoogstwaarschijnlijk de oudste beek in het gebied en mogelijk van
oorsprong een bronbeek.
ZWARTE KOLK BEEK ANNO 2008
De foto toont de beek ter hoogte van het Kousenhuisje.
De omlegging noordwaarts naar de Wolfhezebeek - waarschijnlijk daterend
uit de 17" of 18° eeuw - is nog juist zichtbaar.
De uitdieping van deze beek later in de tijd en de aanleg van de Wolfhezebeek met zijn vele
"zijbeekjes" en de Heelsumse beek, 66k met zijn zijbeekjes, zijn belangrijke gebeurtenissen
geweest voor het dorp. Er zijn vele kilometers sprengbeek in het gebied, soms metersdiep in
dalwand en dalbodem uitgegraven. Dit wijst op veel handmatig graafwerk en de mankracht zal
niet uitsluitend door de nederzetting zijn geleverd.
Voor de planning en de aanleg van een sprengbeek is men aangewezen op experts van elders,
die in staat zijn tot zulke taken als lokalisatie en aansnijding van een waterhoudende laag
in dalwand of dalbodem, bepaling van het beloop van de beek en het verloop ervan langs
de dalwand en eventueel de bekleding van de beekbodem met leem. Echter, dit laatste is
onnodig geweest in het gebied van Oud-Wolfheze. Ongewenst zelfs omdat de leemlaag een
belemmering voor het kwelwater zou zijn.
35
SCHEMA VAN EEN SPRENG
De sprengkop (A) wordt tot op het niveau van het grondwater gegraven. Via de gekanaliseerde beek
(B) wordt vervolgens het bronwater afgevoerd. Van de uitgegraven grond worden aan weerszijden
van de spreng dijkjes aangelegd, die tevens dienen om het water voldoende op peil te houden (D).
Om te voorkomen dat het water benedenstrooms (C) door de ondergrond wegsijpelt, wordt deze
bodem soms met leem bekleed (E). Bron: T. de Ridder,Vereeuwigd landschap.
Zijn er molens geweest in het Wolfhezense 20 ?
Oltmans zegt er voor omstreeks 1500 het volgende over: Op korten afstand van den burcht
(= huidig Stratius Rondeel, daarvoor ook Rondeel en Bolwerck genoemd) brengt de beek een
molen in werking. Hier wordt het graan gemalen, niet alleen voor de burchtbewoners, maar
voor de geheele buurt. Nog lets verder staan twee bouwhoeven.
Demoed maakt melding van een korenmolen in het Heelsumse die dateert uit de 15 e eeuw
of vroeger. Hij bedoelt waarschijnlijk dezelfde molen als Oltmans. Korenmolens zijn er al
eeuwen eerder dan papiermolens.
Als die molen er in deze tijd inderdaad is geweest moet hij hebben gestaan aan de Zwarte
Kolkbeek, want de andere beken zijn er nog niet. Op de kaart Hertogdom Gelre Vierde
Kwartier dat is het Arnhemse, ofwel Veluwe uit de IT eeuw komt een molen voor in het
beekdal, ten westen van de burcht.
VELUWSE PAPIERMOLEN IN TEKENING EN SCHILDERIJ (J.W. BILDERS)
Michiels oppert de mogelijkheid dat er een molen 21 is geweest enkele honderden meters
stroomafwaarts van de sprengkop van de Heelsumse beek. Daar zijn enkele min of meer
cirkelvormige verbredingen 22 - vijvers - en dat lijkt inderdaad de meest logische plek voor een
molen in het gebied: de vijvers - weyerd of weyers genoemd - maar ook de "zijbeekjes" ter
plekke dienen om een geregelde waterlevering aan de molen te waarborgen, voor het geval er
stroomopwaarts een nieuwe molen zou worden gevestigd.
36
EEN WEYERD IN DE HEELSUMSE BEEK
De weyerd ligt nabij de sprengkop van de beek en direct naast het punt
waar de noordzuidweg het beekdal passeerde.
Er is een tekening van B. Kempinck uit 1616 die een molen laat zien - een korenmolen -
ten noorden van de Heelsumse beek en de Wolfhezebeek. De site Papiermolens aan de
Wolfhezerbeek (members.chello.nl) laat ook zien dat ongeveer op deze plek een molen heeft
gestaan.
Alhoewel de situatie allesbehalve duidelijk is - archiefbronnen zijn niet gevonden en
archeologisch onderzoek ontbreekt - kunnen er toch wel enkele kanttekeningen worden
gemaakt:
• De korenmolen uit de tijd van de 14 e -l 5° eeuw kan niet dezelfde zijn als die welke Kempinck
in 1616 tekent, omdat de lokaties niet kloppen. De eerstgenoemde molen moet hebben gestaan
aan de Zwarte Kolkbeek en de tweede aan de Heelsumse beek, die dateert van na 1600.
• Op de tekening van Kempinck staat de molen ten noorden van de Wolfhezebeek. Dit is
echter de meest noordelijk gelegen beek in het beekdal en het is uitgesloten dat er een nog
noordelijker beek zou zijn geweest.
• Oltmans rekent "zijn" beek tot hof Wolfheze. De westgrens van de hof wordt
hoogstwaarschijnlijk gevormd door de landweer. Ergo, de molen heeft often westen van de
landweer gestaan, maar behoort dan niet tot hof Wolfheze of de molen heeft juist ten oosten
van de landweer gelegen, op "hoffelijk" gebied.
Maar, zou dit laatste het geval zijn dan zou de molen - inclusief regelingen betreffende
vergoeding voor waterrechten, het schoonmaken van de beken - zeker apart zijn vermeld in de
leenbrieven. En dat is niet het geval.
37
• De Heelsumse beek moet welhaast zijn gegraven met de bedoeling er een papiermolen te
vestigen. Dat laat onverlet dat er toch een korenmolen kan zijn aangelegd.
De voorlopige conclusie moet zijn dat er in de Late Middeleeuwen geen molen is geweest
op hof Wolfheze. Als er al een molen in het gebied is geweest - en dat is waarschijnlijk - dan
heeft die ten zuidwesten van de hof gestaan, nabij de westelijke grens van Oud-Wolfheze, of
nog verder stroomafwaarts.
Aan het eind van de 17 e eeuw wordt op de wildforsterij een papiermolen gebouwd. Deze
wordt in de deelstudie Het Wildforstergoed behandeld.
RONDEEL EN LANDWEER
Ook de aanleg resp. de opbouw van landweer en Rondeel is een flink karwei geweest.
Het Rondeel ligt ten zuidwesten van de kerk, op ca. 600 m afstand hemelsbreed en ca. 50 m
ten zuiden van de heerwech.
Het Rondeel is een kunstmatige verhoging in het beekdal die aan alle zijden wordt omgeven door
de Wolfhezebeek en de Rondeelbeek. Het doet denken aan het heuveltje in de Molenbeek bij
Quadenoord, ook al is de vorm anders. Het heeft hoogstwaarschijnlijk gediend als observatie-
en/of controlepost langs de heerwech en de noordzuidweg. En dat niet alleen ten behoeve
van de leenmannen van hof Wolfheze, maar waarschijnlijk ook voor de heer van Gelre om te
verhinderen dat er illegale goederenvervoer over de Rijn zou plaats hebben, zie 7.2.
Het Rondeel dateert uit de 15 e eeuw of eerder.
Het is de vraag of het Rondeel vanaf het begin is voorzien geweest van de uitgebouwde ronde
hoeken. Mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn die later - maar voor 1553 - aangebouwd om
het Rondeel ook een functie als veldschans te geven. Hoe dat ook zij, de ronde hoeken zullen
door middel van vlechtwerk ("korven") zijn versterkt om afkalving door het langsstromende
beekwater te voorkomen. Daarnaast bieden deze hoeken het voordeel van overlappende
schootsvelden vanaf het Rondeel in het voorterrein.
Een landweer is een doorgaande aarden wal in het veld, vaak met een droge greppel of een
gracht en voorzien van een doornen haag ter beveiliging van een bepaald gebied.
HET RONDEEL IN 2008
Het Rondeel vanuit het noorden gezien.
38
De landweer - de greppel en de wallen die loodrecht op de heerwech staan - iets ten westen
van het Rondeel vormt als het ware de poort die alle vrachtverkeer van en naar Arnhem
moet passeren. Vennoedelijk is er bij de landweer een slagboom geweest en zal er tol zijn
geheven.
In de visie van deze auteur hebben Rondeel en landweer een complex gevormd. Meer details
zullen ongetwijfeld voortkomen uit het onderzoek van het AAC.
Tot nu toe zijn op de Veluwezoom niet meer landweren aangetroffen. In Brabant, op de
oostelijke Veluwezoom, in de Achterhoek en in Duitsland komen ze tamelijk frequent voor.
DE LANDWEER ANNO 2008
BEVOLKINGSOMVANG
Groneman is de eerste die dit aspect behandelt.
Uitgaande van zijn - niet door feiten gestaafde - mening dat op het kerkhof meer dan 30
mensen begraven zouden zijn geweest komt hij tot de uitspraak: hoeveel dichter bevolking
moet toen deze streek bezeten hebben, vergeleken bij tegenwoordig! Nu wordt hier in de buurt
noggeen dental huizen aangetroffen!
Maar afgaande op de feiten die Groneman presenteert - drie schedels op het kerkhof en
restanten van zeven mensen in de kerkgraven - is de bevolking aanzienlijk kleiner geweest
dan hij veronderstelt. Immers, als de bevolking tien mensen zou hebben omvat gedurende 70
jaar (twee generaties) hadden er al meer mensen kunnen zijn begraven.
39
Toch blijven er vragen. De geraamteresten op het kerkhof liggen dicht onder het maaiveld
(een handbreed aarde). Het lijkt alsof de graven zijn geschonden; de kerkgraven zijn zeker
geschonden.
Oltmans geeft in schetsteekening en tekst een beeld van het Wolfheze zoals dat er omstreeks
1500 heeft uitgezien 23 .
PLATTEGROND VAN WOLFHEZE OMSTREEKS 1500
Bron: "Het landgoed Wolfhezen", A. Oltmans.
Op basis van zijn kaart wordt voor het jaar 1500 de volgende tabel samengesteld 2 '
HOF
WILDFORSTERIJ
Huizen/bouwhoeven/schuren
Bijzondere bebouwing
Schatting aantal mensen
Kerk, molen, burcht Geen
ca. 15 + bewoners molen ca. 30
Opmerkingen:
1 . Hier wordt de visie van Oltmans uitgewerkt. Zoals reeds uiteengezet heeft hof Wolfheze
vermoedelijk geen molen gehad. Een kasteel is er zeker niet geweest.
2. De berekening is gebaseerd op pag. 36 van De Bourgondische Nedeiianden van
W. Prevenier, ISBN 90-6153-119-5, waar staat dat een gezin op de Veluwe gemiddeld
5,8 personen omvatte. De aanname hierbij is dat 1 opstal = 1 gezinshoofd.
3. H.K. Roessingh in Het Veluwse inwonertal, 1526-1947, AA.G. Bijdragen 1 1 becijfert
het inwonertal van Oosterbeek, Doorwerth en Renkum in totaal op 620 in 1650 en van
Doorwerth en Renkum in totaal op 400 in 1526. Hij hanteert voor het platteland van de
Veluwezoom enkele conflicterende getallen en ratio's.
In 1505 worden vier huizen, alle behorend tot de wildforsterij, vernietigd door de Galioten 25 .
Als gevolg daarvan zijn twee Wolfhezenaren naar elders verhuisd. Of zij alleenstaanden zijn
dan wel een gezin hebben is onbekend.
40
Op de Proceskaart uit 1553 staan in het zuidoosten drie opstallen, ogenschijnlijk een
huis met schuur en een arbeidershuisje, waarschijnlijk gelegen op grondgebied van het
wildforstergoed.
Het huis is bezit of eigendom van Johan Stratius die zijn werk in Arnhem heeft. Verder de
kerk en de pastorie, het Rondeel en een hoeve met twee schuren en een arbeidershuisje. In
feite wijkt de Proceskaart qua aantal schuren/woningen niet af van Oltmans' visie ter zake,
d.w.z. na aftrek van de in 1505 verwoeste huizen.
De Ridder stelt op basis van de Proceskaart dat het aantal inwoners van Wolfheze in de
Middeleeuwen niet meer dan 20 tot 30 personen heeft bedragen. Maar de kaart toont alleen
de hof. De bestpassende conclusie is wellicht dat het dorp, d.w.z. hof Wolfheze en het
wildforstergoed, minimaal ettelijke tientallen bewoners heeft gehad aan het begin van de 16 e
eeuw; ten tijde van de bouw van de kerk zijn er minder geweest.
Uitgaande van de vuistregel die wel wordt gehanteerd voor schattingen over de Veluwse
bevolking als geheel leveren 5 huizen en een oppervlak van hof Wolfheze van ca. 2 km 2 een
bevolking op van ca. 30 mensen in de hof in 1553 26 .
Hoeveel mensen buiten de nederzetting, maar in het kerspel Wolfheze, van tijd tot tijd hebben
gewoond is onbekend. Van de Bunt 27 meent dat heerlijkheid Doorwerth eeuwenlang ca. 200
inwoners heeft gehad. Daarbij moet worden opgemerkt dat de heerlijkheid qua oppervlak
aanzienlijk kleiner is geweest dan de parochie maar een hogere bevolkingsdichtheid heeft
gehad.
Heeft Doorwerth inderdaad 200 inwoners gehad - de schatting lijkt realistisch - dan zal kerspel
Wolfheze hooguit ca. 250 inwoners hebben gehad en (veel) minder ten tijde van de bouw van
de parochiekerk.
SOCIALE STRUCTUUR
Het lijkt aannemelijk dat de nabijheid of de betrokkenheid met het dorp van zoveel adePals
ook de aanwezigheid van een parochiekerk invloed hebben gehad op het denken en doen van
de dorpelingen.
Ook lijkt Wolfheze een geheel eigen sociale opbouw te hebben gehad. Dat kan althans
worden afgeleid uit de al aangehaalde kaart en beschrijving van het dorp omstreeks 1500 door
Oltmans.
Hij suggereert dat de verhouding voorname huizen : gewone huizen =1:1. Bepaald
ongewoon.
Maar de visie van Oltmans kan gemakkelijk worden onderbouwd.
De voorname huizen worden bewoond door de pastoor, de wildforster en Johan Stratius, jurist
aan het Hof van Gelre en Zutphen, burgemeester van Arnhem en bekleder van andere hoge
functies. De wildforster is gehouden permanent een logement vrij te houden voor de heren van
Gelre en dat zal geen gewoon huis zijn geweest.
Overigens moet men zich van de huizen geen al te grote voorstelling maken. De onderklasse -
horige landarbeiders - woont in plaggen hutten. Later, tot in de 1 8 e eeuw, zullen de huismuren
vaak hebben bestaan uit vlechtwerk en nog weer later uit vlechtwerk en baksteen. Waarschijnlijk
worden de geheel uit baksteen opgetrokken huizen pas in de 19 e eeuw gebouwd.
41
Ook de parochie zal - vooral gegeven de aanwezigheid van kasteel en heerlijkheid
Doorwerth binnen de kerspelgrenzen - een ongewone sociale opbouw hebben gehad.
Het is verleidelijk om als maatstaf te nemen de verhouding tussen de begravenen op het
kerkhof en die in de kerk (resp. < 30 en 7, ratio 4,5 : 1), maar te bedenken is dat de skeletten
van het kerkhof sneller kunnen zijn vergaan door hun ligging in het open zand dan die van
de kerkgraven.
KERKELIJK LEVEN
Het dagelijkse leven in de Middeleeuwen raakt in toenemende mate doortrokken van christelijk
godsgeloof en christelijke symboliek. De relaties tussen kerk en overheid zijn nauw en talrijk.
Vanaf medio 15 e eeuw raakt de kerk te Rome in verval en dat heeft doorgewerkt tot in alle
geledingen van de kerk, in Rome en in de periferie.
Over het kerkelijk leven in parochie Wolfheze tot aan omstreeks het begin van de 15 e eeuw
is niets bekend. De vroegste indicatie van een kerk te Wolfheze komt uit de stadsrekening
van Arnhem. Onder de "uitgaven" van 1390/1 wordt vermeld: Die clocke van Wolfhesen afte
wynen IX sc.iiij d (9 schellingen, 4 penningen). Geen klok zonder toren en kerk, althans toen
en daar.
Wat afwynen precies inhoudt is onbekend. Groneman denkt aan afwinden, afhijsen. A.J.C.
Kremer, oudheidkundige te Arnhem vraagt zich in de Arnhemsche Courant van 26 juni 1891
af Wat betekent dat? Was de klok te Wolfheze gegoten of was Wolfhees een huis ofpersoon te
Arnhem? Volgens Groneman zou Kremer later diens visie hebben overgenomen.
Volgens de woordenboeken Middelnederlands van Verwijs e.a. en Pijnenburg uit 1 885 en 1 984
heeft "afwinnen" meerdere betekenissen: veroveren, gerechtelijk in bezit nemen, een vonnis
tot betaling krijgen tegen iemand, weghalen, scheiden van. Verwijs signaleert het gebruik van
het woord in 1356 en 1409.
Hoe dat ook zij, de reden voor het "afwynen" blijft onbekend; er is geen bewijs dat Arnhem
de klok in bezit of eigendom heeft genomen.
Misschien is Arnhem in 1390 alleen behulpzaam geweest bij het weghalen van de klok. Het
aangegeven bedrag lijkt niet op een grote klus te wijzen. De vraag of de kerk het dan tot aan
zijn ontmanteling in de 1620-er jaren zonder klok heeft moeten doen blijft onbeantwoord.
Of waren er twee klokken: een ongewijde dorpsklok voor algemeen civiel gebruik (gevaar,
afkondiging bestuurlijke maatregelen e.d.) en een gewijde kerkklok (eredienst, begrafenis,
huwelijk)?
Hoe dan ook, als er na verwijdering van de klok geen andere overblijft is het ongemak
voor de dorpelingen groot. En potentieel gevaarlijk. Immers, zij kunnen niet meer worden
gewaarschuwd voor dreigend gevaar.
Gewoonlijk wordt het doel van het klokluiden aangegeven door de klank, de duur en de manier
van luiden. Op deze wijze wordt ook duidelijk gemaakt tot welke klasse een overledene heeft
behoord.
De klok zal in de nederzetting goed te horen zijn geweest, maar in de buurtschap van Heelsum
en in kasteel Doorwerth in het geheel niet. Overigens: De klok kan, zoals dat ook b.v. in
Oosterbeek en Heteren is gebeurd, ter plekke in de kerk zijn gegoten. Groneman zegt echter
niets over een kleivorm, een mal, binnen het kerkfundament.
42
Alhoewel de wildforsterhoeve in parochie Oosterbeek ligt, zullen de wildforsters wel in
Wolfheze ter kerke zijn gegaan. Ook de Heelsummers kerken in Wolfheze; hun buurtschap
ligt nabij de plaats waar in de periode 1517-1519 de kapel wordt gebouwd en zij zijn dus over
de heerwech naar Wolfheze gegaan.
De kerk wordt aanvankelijk ook bezocht door de inwoners van Heteren. Vanuit het zuidelijk
deel van de parochie komen de kasteelbewoners en -bedienden als ook een deel van de
bewoners van hof Seelbeek in Wolfheze naar de kerk.
Een document uit 1625, getiteld Bepalinge van onse hecgen aen 't Lege Erfftott Wolffhesen,
g(e)n(aemt)t Heer Arndts Enck en(de) Laeuwicker Velt gehoerende geeft aan dat er een pad,
Kerckwech genoemd, vanuit het zuiden, langs de heg Het Schiltjen naar de kerk leidt. De heg
ligt op het terrein van de villa gelegen aan de noordzijde van de Utrechtseweg, tegenover de
Kerklaan.
Michiels wijst op een kaart uit 1668 waarop de Wolffheeser Kerckwech staat die voert van
Doorwerth naar het godshuis in Wolfheze. Het zijn vooral de parochianen uit het zuidoostelijke
deel van de parochie die deze weg hebben gebruikt. Het pad is nu nog te zien aan de
Utrechtseweg, iets westelijk van de Wolfhezerweg, tegenover de Kerklaan.
De kasteelbewoners hebben de Holle Weg genomen om dan op de Oosterbeekse weg een
kaarsrecht naar het noorden lopende weg te nemen (nu de Kasteelweg), die via het Kousenhuisje
direct naar de kerk leidt. Ook dit traject is nog goed herkenbaar in het veld.
De heren van Doorwerth zijn niet bepaald gecharmeerd van het feit dat hun heerlijkheid geen
eigen kerk heeft gehad, maar deel uitmaakt van parochie Wolfheze. Immers, zij moeten nu
volgens kerkelijk recht voor zekere geloofsbedieningen naar de Wolfhezer kerk reizen. Rond
1425 bouwt de heer van Doorwerth een eigen kapel. Ongetwijfeld zal het dedain van huis
Doorwerth voor de Wolfhezer kerk van invloed zijn geweest op de bedienden van het kasteel.
Elders in dit werk wordt dit alles uitvoerig behandeld.
Een en ander leidt er toe aan te nemen dat er nauwelijks sprake zal zijn geweest van een hecht
kerkelijk leven in de parochie, hooguit van contacten op zondagen, kerkelijke feestdagen en
bij andere gelegenheden.
Voor de parochianen is de reformatie een tijd van grote onzekerheid geweest. In welke mate
kan men meegaan - durft men mee te gaan - met de nieuwe leer? Veelal zal een afwachtende
houding zijn aangenomen. Immers, de heer van Doorwerth blijft trouw aan de oude leer en
de leenman van de kerk in deze tijd, de landcommandeur van de RDO, ook. Het huis Van
Middachten - de opperwildforster - verandert evenmin van geloofsrichting.
Het allereerste begin van de reformatieperiode aan de Veluwezoom valt in het begin van de
1520-er jaren. Dan aanvaarden de monniken van Mariendaal de leer van Maarten Luther of
sympathiseren ermee.
Te Arnhem worden protestantse ketters verbrand of in de Rijn verdronken. Rond 1550 zijn de
inquisiteurs Sonnius en Gruwel actief.
Aangenomen wordt dat omstreeks 1580 de nije leer ingang begint te vinden bij de bevolking
van de Veluwezoom. Arnhem verbiedt in april 1581 alle papistische ceremonien en verplicht
in 1587 alle inwoender ende burger om de gereformeerde diensten bij te wonen.
43
De Oosterbeekse pastoor Henrick van Maenen (1570) zal wel de laatste pastoor van voor de
hervorming zijn geweest. De laatste pastoor van Renkum zal Johan van Cruchten (1578) zijn
geweest.
Deze schattingen over de vordering van de reformatie worden bevestigd door het volgende:
In 1588 zijn er onderhandelingen gaande tussen de raad van de stad Arnhem en de heer van
Doorwerth als pandhouder der Prumensche tienden, over het verpachten der tienden, tot
verhoging van het traktement der Arnhemsche predikanten. Op 11 juli 1589 wordt hierover
een overeenkomst bereikt: de heer van Doorwerth zaljaarlijks 450 a 500 gulden ten behoeve
der beide predikanten te Arnhem betalen 29 . De heer van Doorwerth zal zeker niet enthousiast
zijn geweest over deze onderhandelingen.
Het duurt op zijn minst nog tientallen jaren voordat de bevolking zich geheel tot de nieuwe leer
heeft bekeerd. In 1608 schrijft Prins Maurits aan Hendrik IV dat enkele provincies, waaronder
Gelderland, nog grotendeels katholiek zijn.
De ongeregeldheden die veelal met de komst van de reformatie gepaard gaan - Sloet 30 : Anno
1566 wert in Arnhem door het gemeen in de kerken de beelden verbrooken - hebben zich in de
parochie Wolfheze waarschijnlijk niet voorgedaan.
De heer van Doorwerth zou ze binnen zijn heerlijkheid niet hebben getolereerd en heeft zijn
kerk in Heelsum vast (extra) laten bewaken.
De kerk van Wolfheze - voor zover nog als godshuis in gebruik - lijkt trouwens geen voor de
hand liggend doel voor de beeldenstormers. De kerk is al geruime tijd in verval, het dorp is
slechts enkele verspreid liggende huizen en hoeven groot en de grotere woonkernen in het
gebied (Doorwerth, Renkum) liggen op kilometers afstand.
Katholiek gebleven adellijke geslachten bieden soms onderdak aan een huispastoor of een
rondreizende priester en zo ontstaan katholieke concentraties, staties genoemd. Staties op de
Veluwezoom zijn die van Doorwerth en Grunsfoort en - op de zuidoostelijke Veluwezoom -
kasteel Middachten 31 . Het huis Doorwerth blijft tot ver in de 17 e eeuw de rooms katholieke
leer toegedaan en dwarsboomt het protestantisme binnen zijn gebied. Zo blijkt b. v. in 1617 dat
tot Helsum by gebreck dat aldaer geen predicant en is, die kinders van papen ende monicken
gedoopt werden. Pas in 1657 werkt het huis mee aan de renovatie van de Heelsumse kerk
waardoor pas dan de gereformeerde eredienst in de heerlijkheid Doorwerth kan worden
gehouden. De RDO, van tijd tot tijd in het leenbezit van de Wolfhezer kerk, legt het rooms
katholieke geloof in 1637 af.
Het dorp is in deze tijd nauwelijks bevolkt geweest of is geheel op de nieuwe leer
overgegaan.
Uit de doopboeken van Gerard de Bruyn, een Utrechtenaar die als huispriester en missionaris-
pastoor werkt vanuit Grunsfoort, blijkt dat in de periode 24 augustus 1666 tot 18 augustus
1678 geen kinderen door hem zijn gedoopt in Wolfheze, terwijl hij wel kinderen in de wijde
omgeving - langs de gehele Veluwezoom van Rhenen tot Oosterbeek - heeft gedoopt 32 .
NETWERKEN
Zoals elders in deze scriptie vermeld hebben de nederzetting en de parochie van Oud -Wolfheze
veel van doen gehad met adellijke en andere vooraanstaande families.
Hier volgt nu een korte schets van hun onderlinge verhoudingen.
44
Huis Van Montfoort
Dit huis is van voor 1413 eigenaar van de Wolfhezer kerk. Vanaf 1413 - maar mogelijk eerder
- wordt de kerk beleend. De contacten van dit huis met de hertog van Bourgondie zijn zo goed,
dat op 9 november 1432 de heer van Montfoort door Philips Van Bourgondie wordt benoemd
tot zijn raad 33 . Maar in de 1450-er jaren ontpopt Jan Van Montfoort zich als de grote opponent
van Philips' zoon David, bisschop te Utrecht. Vanaf 1413 - en mogelijk daarvoor al - wordt de
hof tot in de 17 e eeuw beleend.
Huis Van Wij he
Leenman van huis Montfoort van 1413 of eerder tot aan 1437 voor kerk en goed te Wolfheze.
Belia Van Wijhe is de moeder van Evert Van Wilp, Evert I in dit werk.
Vanaf 1 424 is Henrick Van Wijhe de leenman van Huis Doorwerth van het guet tot Oorsprongen.
Hij is in 1428 ook eigenaar van Sonnenberg.
Huis Van Wilp
• Evert I
Evert I bezegelt in 1429 het verdrag tussen Hertog Arnold en bisschop Rudolf. In 1437 bezegelt
hij de verbondsbrief met Veluwe en neemt hij gronden en goederen te Wolfheze in bezit.
Gedeputeerde van Veluwe in 1441. In 1444 treedt hij op als getuige van de bisschop van Utrecht,
wordt hij door hertog Arnold tot ridder geslagen wegens manmoedig gedrag in de slag tegen
hertog Van den Berg en wordt hij gevangen gezet. Omstreeks 1446 treedt hij op als rait (raad) van
de hertog van Gelre. Op 20-09-1456 wordt hij door de Utrechtse bisschop David Van Bourgondie
met Wilp beleend. Wellicht is er een verband met het feit dat Philips omstreeks deze datum
tijdens zijn aanval op Deventer, zijn legerkamp te Wilp heeft ingericht.
Hij ontvangt in zijn kamp bezoek van Catharina van Gelre en haar zoon Adolf die Philips'
steun zoeken tegen echtgenoot en vader Arnold. Omstreeks deze tijd ligt een Bourgondisch
leger nabij de kerk te Wolfheze, waarvan Evert de leenman is. In juni 1458 krijgt Evert een
verzoek van Gelre om deputaat te worden, zoals zijn buurman Reinald Van Homoet van
Doorwerth het verzoek krijgt om deputaat van Veluwe te worden.
• Evert II, de zoon van Evert I
In 1468 steunt Evert II Adolf van Gelre in de slag bij Stralen tegen Jan Van Kleef In maart
1469 stelt hertog Adolf een nieuwe ridderorde in en Evert II enzijnoomWijnandVanArnhem
worden er samen met elf anderen in benoemd 34 . Nog in datzelfde jaar verschijnt hij als ridder
op een Quartierdag van ridders en knapen. In 1472 wordt Evert uitgezonderd van verzoening
met Bourgondie 35 , maar op 12 mei 1475 is hij raad en kamerling van Karel Van Bourgondie,
bevindt zich in het leger van Nuis en besluit Karel dat Evert in het bezit van de tienden van
Arderbroek en Wilp moet worden gelaten 36 .
Voor mei 1475 heeft hij de hertog van Gelre gesteund. Vermoedelijk gaat hij naar het
Bourgondische kamp over omdat dit dan succesvol is in zijn strijd tegen Gelre.
In 1473 wordt Arnhem ingenomen door Karel de Stoute van Bourgondie. Vanaf 1477 zijn
de rollen omgekeerd. Karel de Stoute sneuvelt op 5 januari, de Bourgondische organen
van bestuur en rechtspraak - en daarmee de Bourgondische ambtenaren - verdwijnen en
vertegenwoordigers van de steden en de ridderschap vullen het ontstane machtsvacuum op.
In de 1490-er jaren steunt Evert de hertog van Gelre. In 1492 vergezelt hij Karel Van
Egmond bij diens intocht in Gelderland en in 1499 is hij een financier van de reis van hertog
Karel naar Frankrijk.
Hij overlijdt in maart 1505.
45
De Van Wilps wonen op Rosande, een hoge heerlijkheid annex kasteel en een leen van
Doorwerth.
De familie is leenman van Montfoort tussen 1437 en 1501 voor hof Wolfheze en - in de 2 e
helft van de 15 e eeuw - leenman van St. Pieter te Utrecht voor de helft van het veer op de
Praats te Arnhem.
Huis Van Middachten
In de tweede helft van de 15 e eeuw is Arend Van Middachten de opperwildforster. Hij is
gehuwd met Belia Van Wilp, de zuster van Evert II. Arend is de Gelre-zaak toegedaan en heeft
moeite met het gedrag van zwager Evert, wiens loyaliteit slingert van Gelre naar Bourgondie
en terug.
De heer van Middachten heeft sedert 1340 het ambt bekleed van overste wildfurster, namens
de hertog van Gelre. Hij is dus de baas van de Wolfhezer wildforsters, in casu - in de 14 e , 15 e
eeuw en het eerste deel van de 16 e eeuw - de Van Lawijcks.
Huis Van Lawijck
Dit huis behoort tot de lagere adel. In 1366 krijgt Arend Van Lawijck het Wolfhezer
wildforstergoed in leen van Eduard Van Gelre. Hij israadvanEduardin 1363,richterenlanddrost
van Veluwe in 1 367 en 1 368 en bezegelt als een der getuigen/borgen de huwelijksvoorwaarden
tussen Eduard en Catharina Van Beieren in 1368. Hij is burger van Arnhem en overlijdt in
1402. Rond 1455 onderhouden de Van Lawijcks vrij intensieve contacten met Willem Ingen
Nuwelandt, de latere pastoor van Wolfheze. Vanaf 1490 hebben kleinzoon Johan van de zojuist
genoemde Arend en latere familieleden waarschijnlijk gedurende zekere tijd kerkgifterechten
gehad op de Heterense kerk, zie hoofdstuk 6, noot 22.
Huis Doorwerth
Eigenaar van kasteel Doorwerth en vanaf 1402 leenman van de hertog van Gelre voor kasteel,
heerlijkheid en beboste gronden in Wolfheze. Leenheer van Rosande, domicilie o.a. van de
laatste Van Wilps.
Parochiaan van kerspel Wolfheze. Moet zich laten welgevallen dat anderen - de huizen Van
Montfoort, Van Wijhe, Van Wilp en de RDO - bepalen wie de parochiepastoor van Wolfheze
zal worden. Waarschijnlijk hebben de beide laatste Everts Van Wilp zich in de selectie van
pastoors mede laten leiden door influisteringen van huis Doorwerth; dit lijkt althans in 1437
en in 1461 te zijn geschied, zie 6.1.
In de 1460-er jaren is Maria Van Homoet gehuwd met Sweder Van Montfoort, zoon van Jan
Van Montfoort die Evert Van Wilp met Wolfheze beleent. Sweder wordt er in zijn eigen familie
van verdacht zijn vader te hebben vergiftigd.
Ridderlijke Duitse Orde
De RDO is een trefpunt van de hoge adel in de Lage Landen.
Vanaf 1501 is de landcommandeur van de RDO leenman van huis Van Montfoort voor de kerk
en gronden van Wolfheze, als ook van de kerk te Heteren. In 1501 is dat Steven Van Zuylen
Van Nyevelt. Hij is niet alleen leenman van de kerk, maar ook raad van de hertog van Gelre en
deze op zijn beurt is weer de leenheer van de wildforsters, de Van Lawijcks. De RDO - evenals
het bisdom gehuisvest in de stad Utrecht - blijft de rooms katholieke leer toegedaan tot in
1637, dus tot lang na de reformatie.
46
VETES
De archieven over Wolfheze tot aan de 1620-er jaren bevatten drie civiele geschillen.
Steeds is de wildforsterij een der partijen en dat is niet verwonderlijk omdat dit goed groot is
en expansief optreedt.
De eerstbekende vete doet zich voor in 1495 en 1496 tussen enerzijds Henrick Van Lawijck
en anderzijds Katharina Veenmans en Lodewijk, een van 's hertogs seruieren, die Henrick
de eigendom betwisten van zijn goed. Op 3 oktober 1496 verzoekt Henrick de stad Arnhem
om Kathrin Veenmans en zekeren Loedwich te verbieden inbreuk te maken op zijn goed bij
Wolffhesen in het kerspel Oesterbeeck. Zijn verzoek wordt ingewilligd.
In 1539 wordt het goed van Gertrud Van Lawijck opgeeist door Hendrick de Groeff, erfvoogd
van Erkelents. Waarschijnlijk kraakt hij de hoeve. Alhoewel de Groeff een machtig man is - en
gewoonlijk riicksichtslos te werk gaat - moet hij het afleggen tegen Gertrud.
Deze beide confiicten worden hier niet verder behandeld, maar in de deelstudie Het
Wildforstergoed komen ze uitvoerig aan de orde.
De derde vete - tussen Anna Droechscherer van het wildforstergoed en Johan Stratius - is
van een andere orde. Niet alleen speelt het geschil zich af op het grondgebied van parochie
Wolfheze, dit conflict heeft de rechtszaal gehaald en het proces is de reden waarom de
Proceskaart - de oudst bekende kaart van de nederzetting - in 1553 is gemaakt.
-.r.--.Fp'''
: ' • -V:. ' ■
•,
"%." "'"''. "
- r L-'^ Mi : '■
',9
DE PROCESKAART UIT 1553
Het huis van Stratius staat links boven. Om naar de heerwech te komen moet hij ettelijke
honderden meters over grondgebied van het wildforstergoed reizen. In de rechterhoek het
Rondeel met een boerderij en bijgebouwen.
Bron: Gelders Archief Arnhem. Algemene Kaartenverzameling. Kaart nr. AKV Negatief 1141.
47
Droechscherer versus Stratius
Johan en Anna Droechscherer hebben het goed in 1540 overgenomen van Gertrud Van
Lawijck.
Na de dood van Johan in 1547 neemt Anna het beheer van het goed ter hand.
De akkers, sedert ca. 1520 braakliggend en verwilderd, gaat zij weer cultiveren.
Hierdoor wordt de weg van het huis van Stratius naar de heerwech afgesloten, waardoor
het conflict ontstaat, dat in 1553 uitmondt in een proces. Stratius' woning ligt op of bij het
driehoekige veldje aan de westzijde van de Wolfhezerweg, tegenover hotel Wolfheze en iets
ten zuiden van de parkeerplaats.
f iflU i"~ ' 1 1 dli
DE OMSTREDEN WEG
De laatste meters van de omstreden weg juist voor de aansluiting op de heerwech.
De fundamenten van de woning zijn in het veld niet meer te traceren; ze zouden onder de
Wolfhezerweg kunnen liggen.
Vanaf zijn huis moet hij in noordwestelijke richting rijden om de heerwech te bereiken
en vandaar zijn reis - die gelet op zijn functie, vaak naar Arnhem zal hebben geleid - te
vervolgen 37 .
Het traject van zijn woning tot aan de heerwech wordt op de Proceskaart als stridigen wech
(omstreden weg) aangeduid en voert over de gronden van Anna. Dit traject kan op grond van
de afmetingen van deze kaart zelf worden geschat op enkele honderden meters en het voert
voor ca. 3 A over de akkers die Anna weer in cultuur wil brengen 38 . Of al in cultuur gebracht
heeft.
Ter zitting wordt een kaartje van de nederzetting gebruikt, getekend door ene Jan van den
Dorpe, de Proceskaart. Tijdens het proces wordt een aantal getuigen gehoord. Zij verklaren
bier, turf, mest, vee en leem over de weg te hebben vervoerd. Een van hen is Jacob Jacobssz.
die meldt dattet vyer und vijftich jaer geleden (was) dat een bouwman, geheiten Derick
Henrickssz. woenden op erff und guet geheten Heren Arntz Enck, und dat doe ter tijt korn
stonde op dat een eynde van den camp, bij den huyse gelegen, daer dat nu steet; daer voer
Doctor Stratius nu den wegh hebbende will, und dattet erff und guet vursschreven daer noe
48
waell dartich jaeren wnst gelegen und nyet bewoent, noch gebouwet iss worden, soe doe dat
huyss daer affverbrant wart, und dat doe ter tijt ass dyt erffund guet vursschreven wust lack,
een yder daer aver gefaeren heefft, waerdattet hen lusten und gelieffden.
Een andere getuige, Peeter Cornelissz., meldt dat doctor Stratius en sijn luijden met een
Brabantse wagen over den stridigen wech reden.
Hoe het proces is afgelopen is onbekend. Overigens is het de vraag of Stratius het huis voor
permanente bewoning heeft gebruikt. De man is hoog opgeleid, heeft tal van hoge funkties
bekleed en reist veel voor zijn werk 3 '. Waarom zou hij zich permanent in een boerendorpje
vestigen? Hoe dat ook zij, rond 21 april 1561 woont Stratius op de Gulden Spiker (De Zijp,
Arnhem), dus vlak bij zijn werk en - gemakkelijk met het oog op zijn vele reizen - bij de
heerwech.
^
VERMOEDEL1JK SCHILD VAN JOHAN STRATIUS
Een bok in een geel veld met horizontale strepen, afwisselend wit en groen.
Groen is een tamelijk ongebruikelijke kleur in de heraldiek. Waarschijnlijk waren de balken
oorspronkelijk blauw en waren de pigmenten in de verf instabiel.
Blauwe verf kleurt vaak groen in de loop der tijd.
OORLOGEN EN GERUCHTEN VAN OORLOGEN
Oud-Wolfheze en omgeving hebben in de loop der eeuwen tot in het eerste kwart van de
17 e eeuw, wanneer de resten van de kerk worden verkocht, vele oorlogen en conflicten
meegemaakt.
Een aanwijzing daarvoor is wellicht het gegeven dat de kerk een toren heeft gehad en geen
koor. Usance is dat men eerst een zaalkerkje bouwt en dat later vergroot met een koor alvorens
het - nog weer later - van een toren te voorzien. Waarom is dat hier niet gebeurd?
Heeft de bevolking meer behoefte gehad aan de extra veiligheid die een toren kan bieden
dan aan een grotere kerk? Mogelijk. Waarschijnlijk zelfs, gelet op de gei'soleerde ligging
van het dorp in het Veluwse landschap en het gegeven dat de bevolking zich niet onder de
bescherming van een landheer in de nabijheid heeft kunnen stellen. Huis Doorwerth ligt op
een afstand van ettelijke kilometers hemelsbreed, te ver weg om bij acuut gevaar bescherming
te kunnen bieden.
Enkele voorbeelden van conflicten: in de 1350-er jaren woedt het conflict tussen de Heekerens
en de Bronkhorsten en het dorp ligt aan de route van Arnhem via Renkum naar Wageningen,
waarvan de eerste wordt bedreigd en de beide andere verwoest. In 1 3 54 breekt de Boerenopstand
uit, vooral op de Veluwe. Met name de zuid Veluwe heeft het zwaar te verduren. Op 24 maart
1379 wordt Grunsfoort ingenomen door de heer van Montfoort. Of deze dan al eigenaar is van
de Wolfhezer kerk is onbekend.
De Stichts/Gelderse oorlog van begin 1420-er jaren voert de bisschoppelijke troepen -
600 voetknechten, 500 ruiters - langs Wolfheze, onderweg van Renkum naar Arnhem. Te
Renkum wordt een veldkamp opgeslagen, het dorp wordt verwoest. In november wordt
49
Wageningen ingenomen. In augustus 1456, tijdens de anti-Bourgondische strijd, heeft Philips
Van Bourgondie zijn troepen gelegerd tot Oesterbeeck ende te Redichem 40 . En tenslotte de
Gelderse oorlogen van Karel van Gelre tegen Karel V (1492-1538), de opstand tegen Spanje
en de al genoemde aanval van de Galioten.
Deze aanval heeft plaats gehad in de zomer van 1505, hoogstwaarschijnlijk nadat Philips Van
Bourgondie - op 6 juni - Arnhem heeft ingenomen. De Galioten bezetten kloosters random
Arnhem en ondernemen van daar uit strooptochten op de Veluwe. De Galioten, die zich in
klooster Mariendaal hebben genesteld, komen naar Wolfheze, waarschijnlijk via de heerwech.
In totaal worden vier van de elf huizen verwoest.
Alhoewel Oltmans meent dat zij op eene verschrikkelijke wijze hebben huisgehouden, lijkt de
aanval toch vrij "beheerst" te zijn geweest. Allereerst wordt er geen verlies van mensenlevens
gemeld. Verder valt op dat hof Wolfheze - huizen en kerk - nauwelijks is beschadigd.
Daar komt bij dat de aanval geconcentreerd is geweest op het wildforstergoed, drie van de
vier verwoeste huizen behoren tot dit goed. Maar ook hier zijn de Galioten bedachtzaam te
werk gegaan, want de hoeve is ongedeerd gebleven. Dit alles is hierdoor verklaarbaar dat de
leenheer ervan de hertog van Gelre is, de grote tegenstrever van Philips in dit conflict.
Het vierde huis dat is verwoest behoort aan Hendrick Jacobss. Het staat bij de kerk en behoort
aan hof Wolfheze, sedert 1501 als leengoed van de burggraaf Van Montfoort aan de RDO.
Oltmans zegt dat er in de tientallen jaren na deze verwoestingen minder activiteit was in
Wolfheze. De bouwlanden worden verwaarloosd. Koster Robert die een huis had op de Enck
verhuist naar Oosterbeek en Hendrick Jacobss. vertrekt naar Bennekom.
Een reden - oorzaak is misschien een toepasselijker woord - voor al dit onheil over het dorp zal
zeker de strategische ligging zijn geweest aan het al beschreven verkeersknooppunt. Er zullen
op de weg veel troepenbewegingen zijn geweest.
De meeste Wolfheze-auteurs menen dat dorp en kerk door oorlogshandelingen zijn verwoest
en binnen deze opvatting zijn er dan meerdere theorieen over de precieze toedracht.
Hier volgt nu een analyse van de verschillende visies.
Eerst die van Groneman.
Hij concentreert zich op de verwoesting van de kerk en een (vermeend) poortgebouw, is daarin
vrij specifiek, maar zegt niets over wat er met de rest van het dorp kan zijn gebeurd 41 .
> Aard der verwoesting.
Groneman zegt dat kerk en poortgebouw door brand zijn verwoest, want daarvan: .... legden
hoopen asch en houtskool, op verschillende plaatsen, buiten en binnen den bouwval, ook in
de kleine poortriune, ongetwijfeld getuigenis af. In het poortgebouw treft hij houtskool aan
en asch met puin en ijzerstukken vermengd.
Deze opvatting wordt van het volgende commentaar voorzien.
Groneman gebruikt een formulering die 21 e - eeuwers vreemd in de oren klinkt: men kan op
een brandplek houtskool, as, puin en ijzer aantreffen, maar spreekt dan nog niet over een
"vermenging" van die restanten. Ook niet als de voorwerpen door de hitte aaneen gesmolten
zouden zijn. Hij heeft bedoeld dat die materialen door elkaar lagen; in een brief van 5 oktober
1904 doet hij een soortgelijke uitspraak dat de door ons gevonden oudheden vermengd
5(1
waren. In 1910 beschrijft Goekoop de vondsten in de Koningsheuvel op soortgelijke
wijze: stuitte de schep van op een klomp aarde met beenderen, vermengd met brokken
houtskool.
Het is de vraag of de hoopen asch en houtskool die in 1893 worden aangetroffen het bewijs
kunnen leveren voor de verwoesting van kerk en poortgebouw door brand. Want: in welke mate
kan een middeleeuws kerkje waarin, afgezien van enkele deuren, een houten dakkonstruktie
en wat houten inventaris, geen brandbaar materiaal aanwezig is, door brand worden verwoest?
Met het vele hout dat uit de bossen kan worden gehaald kan een flink vuur worden gemaakt,
maar ook zo groot en intens dat de muren door de hitte instorten?
Daar komen nog de volgende constateringen bij:
• Groneman maakt geen melding van geblakerde muurresten, tegels, stenen of stukken lei.
• Hij zegt 8 stukjes raamlood te hebben gevonden. Die zijn blijkbaar onvervormd, want hoe
zijn ze anders als raamlood te herkennen?
• Zoals nog zal blijken resteert in 1 628 nog zoveel hout van de kerk dat de vervallen kerk van
Heelsum er (deels of geheel) mee zou kunnen worden gerestaureerd.
Opvallend is ook dat as en houtskool buiten de beide mines op het kerkterrein worden
aangetroffen. Groneman vermeldt niet waar precies hij dat vindt en op welke diepte. Hij moet
er toch graafwerk voor hebben gedaan, want het is niet aannemelijk dat hij as en houtskool op
het oppervlak aanziet voor de bevestiging van een brand vroeg in de 17 e eeuw.
Ergo, Groneman 's bewijs voor verwoesting door brand is mager.
Overigens, het is niet aannemelijk dat er een poortgebouw als toegang tot het kerkterrein is
geweest.
> Nu het jaar van de verwoesting.
Groneman meent stellig dat de kerk niet in 1585 is verwoest.
Hij schrijft: Thans willen wij hier nog de vraag laten volgen, of de tijd, waarin de kerk werd
verwoest niet met eenige waarschijnlijkheid moet worden gezocht in 1624 of in 1629. Immers
in den strengen winter van het eerstgenoemde jaar trok een Spaansch leger, onder Graaf
Hendrik van den Berg, door "de Graafschap " naar Dieren en vie! daar, over den vastgevroren
Yssel, in de Veluwe. "Op Zondag, 18 februari, kwam het Spaansche leger voor Arnhem....
doch scheide van de stad, zonder een ernstigen aanval beproefd te hebben en trok dienzelfden
Zondag naar Ede Daar de kerk te Wolfhezen zoo te zeggen in de richting van den marsch
dezer plunderende troepen lag, kan zij zeer goed bij deze gelegenheid vernield zijn geworden.
Bekend is het, hoe weinig eerbied de Spaansche troepen zelfs voor geestelijke stichtingen der
Roomsch Catholicken betoonden Wil men echter de vernieling der kerk te Wolfhezen, (die,
omdat ook het poortgebouw gebrand heeft, gelijk door de houtskool en de asch bewezen wordt,
die wij daar, bij ons opzettelijk onderzoek, met puin en ijzerstukken vermengd vonden) op een
ander jaar stellen, dan kan men vijfjaar later aannemen toen een Spaansch en Keizerlijk
leger onder denzelfden Graaf Hendrik van den Berg en Montecuculi op nieuw plunderend
in de Veluwe viel en in Ede wederom "de ontzettendste wreedheden " gepleegd werden. Wij
vermoeden dat uit een dezer jaren 1 624 of 1629 het zoogenaamde "spaansche pijpje " (no. 60)
afkomstig is, waarvan wij eerst den kop en een paar dagen later het daaraan passende steeltje
vonden, in het kerkkoor, bij het Zuid-Oost fundament. Dergelijke pijpjes werden ook in den
aardenwal te Zutphen. ..gevonden, welke wal op het einde der 16e en in 't begin der 1 7e eeuw
51
door Prins Maurits, na de verovering der stad in 1591 is aangelegd. Deze zijn dus ongeveer
uit hetzelfde tijdvak. Zoo zal dan de kerk te Wolfhezen in het eerste vierendeel der 1 7e eeuw in
vlammen zijn opgegaan en tot een puinhoop geworden zijn 42 .
Commentaar:
De meeste Wolfheze-auteurs zijn het oneens met Groneman en nemen aan dat de verwoesting
in 1585 - in het voorjaar - door Spaanse troepen is gepleegd. Nu hebben de Spanjaarden
in 1584 en 1585 flink huis gehouden op de Veluwe - in onze contreien wordt o.a. de kapel
van O.L. Vrouwe van Renkum verwoest, kasteel Grunsfoort bezet - maar tot nog toe is niet
bewezen dat Wolfheze daaronder toen ook te lijden heeft gehad.
Oltmans: Door aanrukkende bewegingen trachtten wij den vijand uit zijne verschansing te
lokken en op het vlakke veld slaags te raken. De vijand voelde zich echter in zijne veste te
sterk om zich aan een twijfelachtigen strijd op het vlakke veld te wagen. Immers alle huizen
te Wolfhezen waren in zijn bezit. Het kasteel was een voorname sterkte; om de kerk en het
wildforsterhuis waren wagenburchten gemaakt. Wolfheze was een sterke veste.
Als de dorpelingen terugkeren na aftocht van de Spaanse troepen treffen zij slechts mines aan:
de kerk is verbrand, van de trotse burcht rest nog slechts de ru'ine van een hoektoren en hun
Haardsteden zijn verwoest.
Demoed valt hem bij : Wat zich precies in Wolfheze afgespeeld heeft, is nooit bekend geworden.
Maar dit is zeker, dat na het aftrekken der vijand, de Wolfhezenaren een volkomen verwoest
dorp vonden.... Ook Hegener is deze mening toegedaan en Roorda van Eysinga meent dat
de vijand zich in Wolfheze heeft verschanst en na een zware strijd ... verdreven, waarbij het
gehele dorp verwoest werd; kasteel, kerk en wildforstergoed incluis.
Opvallend is dat de schrijvers wel menen te weten wat er met de gebouwen van het dorp
is gebeurd maar weinig woorden wijden aan het lot van de bewoners. Demoed en Oltmans
suggereren dat ze zijn weggetrokken.
De Spanjaarden zouden dus het dorp - inclusief kerk, kasteel en wildforsterij - bezet houden.
Maar gelet op de verspreide ligging van de verschillende gebouwen - de afstand van de burcht
tot de kerk en van de kerk tot de wildforsterij is resp. ca. 600 en 750 meter hemelsbreed - en
de gesteldheid van het terrein is het vrijwel uitgesloten dat zij een sterke veste tot stand hebben
kunnen brengen.
Oltmans creeert een onderscheid tussen het dorp en het vlakke veld en doet het voorkomen
alsof het dorp een aantal bij elkaar staande huizen en andere gebouwen omvat. Niets is minder
waar: er zijn slechts enkele verspreid in het veld liggende hoeven en huizen. Volgens de
Proceskaart zijn er twee clusters van huizen plus het huis bij de kerk. De afstanden zijn: van
cluster zuidoost tot cluster zuidwest 1000 m, van cluster zuidoost tot kerkhuis ruim 600 m en
van kerkhuis tot cluster zuidwest 700 m.
Het kasteel kan geen voorname sterkte zijn geweest want er is geen kasteel geweest. De
veldschans die er wel is - het huidige Stratius Rondeel - is zo klein dat die slechts een kleine
sterkte kan zijn geweest, niet (lang) bestand tegen zelfs een kleine vijandelijke eenheid.
Het is moeilijk voorstelbaar dat de Staatsen de vijand actief, doelbewust, in de kerk hebben
ingesloten. Daarmee zouden ze hem een uitstekende vesting hebben verschaft van waaruit hij
de omgeving militair zou kunnen domineren.
52
Als desondanks wordt aangenomen dat de Spanjaarden de kerk hebben bezet dan leidt dat tot
de volgende observaties:
• De plek is geschikt voor een defensieve stelling. Vanaf de terp en vanuit de kerk kan men
de omgeving - inclusief de heerwech die op ca. 15m afstand langs de zuidkant van de kerk
loopt - domineren.
• De aanwezigheid van de droge greppel en de ligging ervan worden theoretisch
verklaarbaar.
De greppel ligt ten noorden en oosten van de kerk en geeft rugdekking daar waar de kerk
zonder de greppel relatief gemakkelijk bereikbaar zou zijn. Aan de zuid- en de westkant van
de kerk bevindt zich de terphelling 43 , maar, belangrijker nog, de steile helling naar het beekdal
iets verder zuidelijk. Een definitieve datering van deze greppel kan wellicht door boor- en
graafwerk worden verkregen, maar kan zo'n onderzoek - als het geen vondsten zou opleveren
- discrimineren tussen 1585, 1624 en b.v. 1672?
• De greppel is ca. 100 m lang en 7 m breed, maar is waarschijnlijk dieper geweest dan
de meter die Groneman in 1893 constateert. De aanleg moet vrij lang - ettelijke honderden
manuren - hebben geduurd en het lijkt er dus niet op dat de onsen erg bedreigend zijn geweest
voor de vijandelijke gravers.
• Geschut lijkt het meest geschikte wapen om de Spanjaarden uit de kerk te verdrijven, maar
er zijn tot nu toe geen stenen of ijzeren kogels ter plekke aangetroffen. Evenmin zijn er tot nu
toe bij de kerk sporen van strijd gevonden, wapentuig of uitrustingsstukken.
• Groneman vindt een deel van een menselijke ruggewervel in een waarvan een stukglas, dat
door het been gedeeltelijk blijkt omgroeid te zijn; mogelijk door de uitbarsting van Grieksch
vuur of van een bom er in gedreven? 44 . Maar de persoon in kwestie kan natuurlijk ook gewoon
een ongeluk hebben gehad. Hij/zij heeft dat geruime tijd overleefd, maar een tijdstip van
overlijden kan er niet aan worden ontleend.
• De vondst van een Spaans pijpje in de kerk kan geen bewijs leveren voor de aanwezigheid
van Spaanse of andere troepen in de kerk in 1624 of 1629, hooguit voor de aanwezigheid van
een pijproker te eniger tijd. Groneman neemt aan dat de pijp van Spaanse origine is, omdat er
eerder een dergelijk model, erkend als zijnde van Spaanse oorsprong, is aangetroffen tijdens
veldwerk aan de Zutphense wal, waarbij Groneman was betrokken. Tabaksgebruik raakt in het
tijdvak 1580-1620 ingeburgerd in de Nederlanden, vooral en eerst bij pionier-consumenten,
van wie er weinigen op de Veluwezoom zullen zijn geweest. Het lijkt er dus wel op dat de pijp
van een Spanjaard afkomstig is.
Het is echter niet uitgesloten dat juist de Staatsen de kerk hebben verwoest; de tactiek der
verschroeide aarde schuwen zij niet. Zo zijn het de Staatsen geweest die in 1586 met het doel
de Spanjaarden onderdak te ontzeggen, de kerk in Geesteren hebben verwoest.
Alleen Michiels meent dat niet bekend is of kerk en nederzetting schade hebben
ondervonden.
Dat is de juiste conclusie, want geen van de andere hier geciteerde auteurs geeft enige
onderbouwing aan de stelling dat Wolfheze in 1585 door Spaanse bezettingstroepen en/of
door oorlogshandelingen zou zijn verwoest.
Enkelen van deze auteurs verwijzen naar Van Slichtenhorst. Deze zegt: Omtrent desen tijd
(voorjaar 1585) had de Raed van Staeten onsen Raed (i.e. die van Harderwijk) indagtigh
53
gemaekt om goede aenteykeningh te maeken van 't koorn in de stad nog overigh sijnde, noch
yet daerafte laeten weghvoeren, ten ware dat er dadelycken weder sooveel wierd in de plaats
geleverd. Des vyands gantse heyr lagh rechtevoort tot Wolfhesen bij den Doorenweerd, alwaer
de onsen, stout op haer eygen grond synde, hem het hoofd booden zulx dat zij
wel ses irijren d'een tegens d'ander in slagh geleeder hadden gestaen; overmits de vijand
zijn waghen-wegh niet woude verlaeten, of hij wel van den onsen om ut de muijte op de
vlackte te koomen etlijke maelen was getergd; en want de Raden van 't Hof vermoeden of
geloof hadden den vijand hoe longer hoe meer te loeren op Harderwijk, deden zij op den 12en
van soemermaend onsen Raed vermaenen om op haere vesten en te gelijck op de heijmelijke
verstandhouders wel acht te neemen.
Van Slichtenhorst (1616-1657) is jurist, historicus en bijna-tijdgenoot. Van hem mag een
preciezere beschrijving van het incident worden verwacht dan van de andere, latere Wolfheze-
historiografen. Uit zijn tekst zijn enkele notities te extraheren:
• De vrees dat de vijand het op Harderwijk heeft gemunt is niet ongegrond. De stad is vrij
gemakkelijk en relatief snel bereikbaar vanaf de zuidelijke Veluwe, zie de Gelre-kaart.
• Des vyands gantse heyr
Gelet op het gegeven dat Spaanse troepen in de soemermaand (juni) van 1585 ook elders in
de Lage Landen aktief zijn moet deze omschrijving van de Spaanse troepenmacht te Wolfheze
niet letterlijk worden genomen. Maar er zal een grote Spaanse legereenheid betrokken zijn
geweest bij het incident. Dan lijkt het niet goed mogelijk die in te sluiten binnen de wallen op
de heerwech tussen de kerk en de landweer, omdat die vrij dicht bij elkaar liggen. Wellicht kan
een grote troepenmacht wel het gebied tussen kerk en wildforsterhoeve bezet houden, maar
het lijkt om de al genoemde redenen niet goed mogelijk dat de Spanjaarden een sterke veste
hebben gehad.
• Positie Spaanse troepen
Van Slichtenhorst zegt niet dat de Spanjaarden kerk en huizen bezet houden, maar dat zij
rechtevoort tot Wolfheze liggen en wel in hun waghen-wegh. Zij lijken in een rechte richting
onderweg naar Wolfheze en zijn tijdens de mars ingesloten. Het is niet mogelijk een militair
logische plek voor zo'n omsingeling aan te wijzen. Aannemelijk is echter dat die op de
heerwech heeft plaats gehad. Niet alleen omdat van Slichtenhorst over waghen wegh spreekt -
wat een doorgaande weg veronderstelt - maar ook omdat zowel uit Renkum als uit Velp (Biljoen)
verwoestingen door Spaanse troepen worden gemeld tijdens deze Spaanse opmars.
Hoe dan ook, de omsingeling betekent dat de Staatsen het initiatief hebben gehad.
Oltmans meent dat de vijand niet alleen het dorp heeft bezet maar ook wagenburchten heeft
ingericht bij de kerk en het wildforstergoed. Erkens 45 zegt (pag. 1 1 6) dat de vijand bij Wolfheze
versterkingen heeft aangelegd en dat bij de wildforsterhoeve nu nog een z.g. Spaanse wal is te
zien, waarop de Duizendjarige Den staat (stond; f 27 mei 2006).
Tegen deze visie zijn bezwaren aan te voeren:
> volgens Van Slichtenhorst is de vijand ingesloten op de waghen-wegh en het is vrijwel
uitgesloten dat er bij de Duizendjarige Den zo'n weg zou zijn geweest.
> de confrontatie heeft circa zes uren geduurd en lijkt nogal "acuut" te zijn ontstaan. Weinig
tijd dus om een wal op te werpen.
> de Duizendjarige Den staat op het zuideinde van een wal die vrij iel is en die vanaf de Zwarte
Kolkbeek in een rechte lijn noordwaarts loopt tot hij na bijna 250 m op de heerwech stuit.
De wal is welhaast zeker geen militaire verdedigingswal geweest, maar heeft waarschijnlijk
gediend als begrenzing van een akker.
54
> voor de benaming Spaanse wal is in dit onderzoek geen bevestiging gevonden.
> hoe zeker is het dat de Duizendjarige Den uit (ongeveer) 1585 dateert?
> Erkens zegt zelf (pag. 1 13) dat de den uit 1650 stamt.
> Oltmans meent dat de Spanjaarden om het wildforsterhius een wagenburcht hebben
gemaakt (onderstreping door de auteur)
• Confrontatie
Van Slichtenhorst meldt dat de onsen ....hen het hoofd booden en dat zij wel ses uijren d'een
tegens d'ander in slagh geleeder hadden gestaen.
Weliswaar wordt thans onder "het hoofd bieden" hetzelfde verstaan als toen, het zou onjuist
zijn te concluderen dat er werkelijk een veldslag is geweest: verzet kan actief en passief worden
geboden. Kortom de partijen kunnen wel in slagorde tegenover elkaar hebben gestaan, maar er
kan een patstelling zijn geweest. Hoe de confrontatie is afgelopen is onbekend.
• Ut de muyte op de vlackte
Geheel duidelijk is de situatie niet. Enerzijds spreekt Van Slichtenhorst over slagh geleeder
anderzijds suggereeert hij dat de vijand was ingesloten op de waghen-wegh en zich in een
muyte bevond.
Muite is een oud woord voor kooi, gevangenis, maar ook voor twist. De vijand laat zich niet
verleiden uit zijn stelling op de vlackte te komen. Dat betekent dat de onsen de vijand niet met
geschut hebben bestookt, want dan zou hij zijn verschansing wel hebben verlaten, vechtend
of anderszins. Tot op heden zijn geen vondsten gemeld van stenen of ijzeren kogels in de
omgeving van de nederzetting. Waarom de vijand weigert uit de verschansing te komen is
onbekend.
Wellicht hebben de Staatsen toch iets fout gedaan, want de vijand voelt zich er veilig. Zo'n
situatie kan zich - voor een niet al te grote troepenmacht - voordoen tussen de wallen op de
heerwech bij het Rondeel en iets oostelijk daarvan: de wallen die de vijand insluiten kunnen
door hem als verdedigingswerken worden gebruikt. Maar het is ook mogelijk dat de onzen
numeriek in de meerderheid zijn en/of beter bewapend voor gevechten van man tegen man
op de vlakte.
Kortom: Van Slichtenhorst meent met enkele andere auteurs dat er in 1585 in of bij Wolfheze
een incident is geweest, maar zijn mening over de aard van dat incident wijkt af van die van
Oltmans en de overige Wolfheze auteurs.
In samenvatting:
AUTEUR
POSITIE VIJAND
LOT DORP
Van Slichtenhorst
Medio 17 e eeuw
Ingesloten in
waghenwegh
-
Oltmans
1920-er jaren
Bezetting dorp + kerk
+ kasteel + wildforsterij
Dorp geheel verwoest;
kerk, kasteel een ru'ine
Roorda van Eysinga
ca. 1949
Bezetting dorp
Als Oltmans
Demoed
ca. 1953
Ingesloten in
waghenwegh
Als Oltmans
Demoed's reconstructie is ietwat merkwaardig.
Om het dorp te kunnen verwoesten moet de vijand zich eerst uit de waghenwegh hebben
bevrijd, maar dat is op grond van Van Slichtenhorst, naar wie Demoed zelf verwijst, nu juist
de vraag.
55
Is er geen bewijs dat de kerk in 1585 is verwoest, evenmin kan worden aangetoond dat de kerk
later, b.v. in het eerste kwart van de 17 e eeuw, nog intact is. In 1618 probeert Ds. Heshusius
zijn vervallen kerk in Heelsum te restaureren en hij verzoekt het Hof van Gelderland om de
heer van Doorwerth te bewegen geld te voteren uit die thiend van Wolffhesen. Hij vraagt niet
om bouwmateriaal van de Wolfhezer kerk - dat gebeurt pas in 1628 - dus de kerk is dan nog
niet rijp voor de sloop of er is nog geen beslissing genomen over het lot van de vervallen kerk.
Voorts is er een aantal kaarten uit dit tijdvak waarop de kerk, ogenschijnlijk intact, voorkomt,
maar dat hoeft niet te betekenen dat de kerk ook echt ongeschonden is 46 .
Dan nu Groneman's opvatting dat de kerk in 1624 of 1629 door Spaanse troepen is verwoest.
Allereerst de rooftocht van februari 1624, Vdstenavondtocht of Vastelavonttocht genoemd 47 .
Vastenavond valt dit jaar op 20 februari.
ARTIST'S IMPRESSION VAN DE VASTELAVONTTOCHT VAN 1624.
Bron: De geschiedenis van Gelderland 1492-1795, dl. 2.
Op zeker moment liggen de Spaanse troepen voor Arnhem 48 .
De weinige weerstand die de stad biedt is hun al genoeg om weg te trekken, in de woorden
van Nijhoff regt door de heide naar Eede, het naaste dorp, waar, wegens talrijke bevolking en
welgesteldheid der inwoners, op een goeden buit gerekend scheen te kunnen worden.
Dit leidt tot de volgende opmerkingen:
• Wolfheze ligt op de marsroute. Ter hoogte van de kerk kruist de heerwech met de
noordzuidweg, welke voert dicht langs de buurtschap Veldhuizen en het kasteel Kernheim bij
Ede, waar op deze Vastenavondtocht verwoestingen zijn aangericht.
• Het is bitter koud, de troepen zijn al geruime tijd in het veld, zijn gedemoraliseerd omdat
ze Arnhem niet hebben ingenomen en zijn op mars naar Ede. Ze kunnen zich in en random
de kerk hebben verschanst en er grote vuren hebben aangelegd. De hopen as en houtskool
die Groneman aantreft in poortgebouw en kerk en op het terrein kunnen hierop wijzen. Het
is onwaarschijnlijk dat toen de half ovale greppel bij de kerk is aangelegd: de troepen hebben
haast, want het rijke Ede lokt en de grond is hard bevroren. Bovendien is er geen noodzaak
voor de aanleg van een greppel: hun vijand is in geen velden of wegen te bekennen.
56
• Op 9 oktober 1 624 besluiten de Gedeputeerden van het Kwartier Veluwe dat het tufsteengruis
van de kerk kan worden verkocht. Op grond hiervan lijkt de gedachte dat de kerk kort daarvoor
en niet in 1585 is verwoest niet bij voorbaat onterecht: Hoe aannemelijk is het dat men zich in
oktober 1624 plotseling het gruis zou herinneren van een in 1585 - in een vorige generatie -
verwoeste kerk in een nagenoeg verlaten gebied op tien kilometer afstand? Hoe aannemelijk
is het dat er in 1628 nog zoveel hout van goede kwaliteit voor de restauratie van de Heelsumse
kerk zou resteren van een kerk die in 1585 zou zijn verwoest?
Echter, geen van de redeneringen rond de vraag of de verwoesting door brand en door
Spanjaarden in 1585 of 1624 heeft plaatsgevonden is sluitend, al ligt het jaar 1624 meer in
de rede dan 1585.
Dan de tweede tocht van Van den Bergh over de Veluwe in augustus 1629 49 . Kan de
kerk toen zijn verwoest?
Het antwoord is neen:
• Op 2 juni 1627 besluiten de Gedeputeerden tot verkoop van het nog overgebleven
tufsteenpuin van de Wolfhezer kerk aan de stadsmetselaar van Arnhem.
• De klassikale vergadering van Overveluwe vraagt, op verzoek van de Heelsumse kerk,
in 1628 om de opbrengst te krijgen van de vercochte kercke van Wulfheese alsmede het nog
resterende hout ervan 50 .
De slotsom van dit alles moet zijn dat de meningen van de meeste historiografen ten aanzien
van de aard en het tijdstip van de verwoesting van kerk en dorp vaag en intern confiicterend
zijn. Op soms belangrijke onderdelen kan hun visie eenvoudig niet juist zijn. De mening van
Michiels, hiervoor al vermeld, is de meest realistische, gegeven het gebrek aan feiten.
Hegener gaat er ook van uit dat Wolfheze in 1584 is verwoest. Maar, zegthij, er moet meer zijn
geweest, want waarom zijn de bewoners naderhand niet naar hun bezittingen teruggekeerd?
Was er, zo vraagt hij zich af, een daling van het grondwater ingetreden?
Omstreeks 1585 zijn de beken in het gebied sprengbeken. Door het graven van de sprengen
maken de bewoners zich minder afhankelijk van regen water maar het leidt er ook toe dat op
de hoger gelegen delen het grondwater wordt bereikt, dat nu gemakkelijk via de gegraven
beddingen kan afvloeien en tot een daling van het grondwaterpeil leiden. Maar: gedurende het
grootste deel van de levensduur van de kerk is er maar een beek geweest (Zwarte Kolkbeek).
Vanaf een onbekend tijdstip voor 1553 - waarschijnlijk in de 2 e helft van de 15 e eeuw - is daar
de Wolfhezebeek bij gekomen.
Zeker is dat deze beken tot in de 1950-er jaren water hebben gevoerd. De Heelsumse beek is
omstreeks 2006 schoongemaakt en is sedert 2006/7 weer watervoerend.
Dan is er nog de mogelijkheid, dat er grondwaterdaling is ontstaan als gevolg van een langdurige
periode van extreem droog weer. Uit de gegevens die Buisman 51 verstrekt blijkt zo'n weertype
rond 1584, 1624 en 1629 niet langdurig te zijn voorgekomen. Maar - nog los van het gegeven
dat er grote verschillen zijn in de Veluwse grondwaterstanden - het kan vele tientallen jaren tot
eeuwen duren voordat het eens gevallen en geabsorbeerde regenwater weer aan de oppervlakte
komt op de hellingen van de stuwwallen en aan de randen van het Veluwemassief.
Het is dus anno 2008 moeilijk aan te tonen dat een eventuele daling van het grondwaterniveau
rond 1600 zou zijn toe te schrijven aan extreem droog weer zo veel vroeger in de tijd.
57
Een andere mogelijkheid kan nog zijn dat ook Wolfheze te lijden heeft gehad van de
zandverstuivingen aan het einde van de 16 e eeuw en dat dat mede een oorzaak is geweest voor
de ontvolking van het gebied.
NOTEN HOOFDSTUK 2
1. Kaart van het Bisdom Utrecht in 1560 door S. Muller Hzn, 1919.
2. Maar het omgekeerde gebeurt ook, vaak op verzoek van het wereldlijk bestuur.
3. J. Buis, Historia Forestis, dl 1, 1 985, pag. 37. Nieuwe Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis
en oudheidkunde. Marken op de Veluwe. L.A.J.W. Sloet, 1859.
4. DeNavorscher 1887, pag. 14enRegistersophetArchiefvanhetvoormalighofdesVorstendoms
Gelre, P. Nijhoff 1856.
5. Ook Molenbeek of Renkumse beek genoemd.
6. Veluwse Geslachten, 1996, nr. 4, pag. 253.
7. Waar de term vandaan komt is onbekend. Is hij afkomstig van schrijvers die menen dat zich ter
plekke een zelfstandig adellijk goed bevond of is de term een aanduiding voor een hof'm de zin
van een hoeve, al of niet als onderdeel van een hofstelsel? Het onderzoek naar de herkomst van
de term loopt nog.
8. J.L. de Boer, In 't Geldersche Rijnland.
9. Een oorkonde van 15 april 1496 waarbij hertog Karel een hoeve te Seelbeek geeft aan Cornells
Kaick, placeert de hof in het kerspel van Oosterbeek. Nabij Brummen heeft zich rond 1215
eveneens een goed Seelbeek (diverse schrijfwijzen) bevonden. Het Seelbeekdal te Oosterbeek
is ook wel gat terAa of gat van derAa genoemd. Deze benaming dateert van voor 1402 en de
oorsprong is wellicht terug te voeren op het middeleeuwse Brabantse geslacht van der Aa, dat
leenheer was van de hertog van Brabant en (zaken)relaties onderhield met de graaf van Megen
en het geslacht van Mierlo. Aa-namen (van der Aa, ter Aa) komen ook buiten Brabant en de
Veluwe voor.
10. Veel in deze paragraaf is afgeleid van B.H. Slicher van Barth: Studien betreffende de agrarische
geschiedenis van de Veluwe in de Middeleeuwen, A.A.G. Bijdragen 11. Oosting: Gelderse
Volksalmanak, 1942.
1 1. De huidige Oude Kloosterweg, in de zuid/west hoek van de kruising Wolfhezerweg/A50 is een
deel van de heerwech. De naam dateert uit de tijd toen algemeen werd aangenomen dat zich ter
plekke van de rui'ne een klooster zou hebben bevonden. Het zandpad dat voor de aanleg van de
A50 van de Heelsumseweg naar het Kousenhuisje voerde werd Kloosterpad genoemd.
12. Leyden gebruikt de term heelweg als synoniem voor hessenweg. Bijdragen en Mededelingen
1940 II, De Hanzewegen.
13. Lokatie ongeveer van het huidige Willemsplein. Arnhem ontwikkelt zich aan en bij de
Jansbeek, iets ten oosten van de St. Jan's poort. De poort dateert van voor 1355. Eigendom
van de hospitaalridders van St. Jan, de Johannieters die in Arnhem een commanderij vestigen
na 1190. Vele en aanzienlijke bezittingen en eigendommen in Arnhem, de Veluwe(zoom) en
de Betuwe. In 1240 heeft graaf Otto de tol van de Sint Jans kevk afgekocht, die sij trok van
alle de goederen, die uyt de Veluw op marktdagen binnen Arnhem werden gevoert., J. J.S. Sloet,
Beschrijving van Arnhem; Bijdragen en Mededelingen, dl 14, 1911.
14. De Amsterdamse Weg heet aanvankelijk Weg naar de Bavoortse Brug, naar een oud centrum
zuidelijk van Amersfoort, huidige lokatie Leusden.
15. Van Heerlijkheid tot Landsheerlijkheid. Gewijzigde herdruk, pag. 19; ISBN 90 232 1579 6.
16. In de 12° en 13° eeuw zou er een herleving zijn geweest van de prehistorische labyrinthen.
17. Nederland in de prehistorie. Uitg. Bert Bakker, 2005. ISBN 90 351 2484 7.
18. Zie ook kaart Roorda van Eysinga.
19. De belangrijkste beken in het Wolfhezer beekdal zijn: a/ De Zwarte Kolkbeek . Ontspringt
ten oosten van de wildforsterij in een moerassig gebied genaamd Zwarte Kolk. Doorsnijdt
vrijwel de gehele gemeente Renkum van noordoost naar zuidwest. Wordt in de Nieuwe Tijd
samengevoegd met Wolfhezebeek ter hoogte van het Kousenhuisje. Datering: Prehistorie
58
en/of Voile Middeleeuwen. b/ De Wolfhezebeek . Sprengkoppen (2x) nabij de Wodanseiken,
halverwege de afstand tussen het wildforstergoed en het Kousenhuisje. Beredeneerde datering:
medio 1 5 e eeuw of eerder. c/ De Heelsumse beek . Sprengkop enkele honderden meters ten westen
van het Kousenhuisje. Beredeneerde datering: 1600 of later, d/ De Rondeelbeek . Sprengkoppen
nabij en ten noordoosten van het Stratius Rondeel. Beredeneerde datering: medio 15° eeuw of
eerder. De beken a/ en b/ zijn ter hoogte van het Kousenhuisje samengevoegd. De beken b/
en c/ komen samen in de zuidwest hoek van het Stratius Rondeel. Mogelijk zijn er nog meer
verbindingen geweest tussen de genoemde beken, maar daarvan zijn in het veld geen duidelijke
sporen te traceren.
20. De eerste watermolen op de Veluwe is in de lie eeuw in de buurt van Velp gebouwd. Download
06-01-2005, Eeuwenoud watererfgoed.
21. In 1568 wordt 12 morgen heideland onder Wolfheze in erfpacht gegeven, vermoedelijk voor
het oprichten van een papiermolen.
22. Maar door recente veranderingen in de beekloop is nu nog maar een zo'n cirkelvormige
verbreding zichtbaar.
23. De tekening van Oltmans is onnauwkeurig en sluit niet precies aan bij de tekst. Hij tekent
15 "opstallen": kerk, burcht, molen en 12 andere bouwsels, waarvan niet duidelijk is of het
om huizen gaat of om andersoortige opstallen. (De Sonnenberg, Gerrit V Enck en Oorsprong
worden hier niet meegerekend). Hij gebruikt verschillende symbolen voor de bouwsels, n.l.
zeshoekjes (6 stuks, grote en kleine) en rechthoekjes (6 stuks, grote en kleine). Zeskantjes
worden gebruikt voor het wildforsterhuis en de pastorie, terwijl voor het huis van Hendrick
Jacobss tegenover de kerk een rechthoekje wordt gebruikt. Op grond daarvan wordt aangenomen
dat de met zeshoekjes gemarkeerde bouwsels voornamer zijn dan de anderen. De vraag is wat
Oltmans heeft willen vastleggen: omvang en ligging van hof en wildforstergoed of het dorp,
met daarin wellicht nog bezittingen van andere heren? Klopt de kaart of moeten we op de tekst
afgaan?
24. Randvoorwaarden: a) Alle zeshoekjes en rechthoekjes zijn huizen. Dit is aannemelijk omdat
Oltmans zegt dat de Galioten de huizen van Arndt Enck vernield hebben (2 rechthoekjes, 1
zeshoek) plus de boerderij tegenover de kerk (1 rechthoekje). b) De 2 opstallen (zeshoekje,
rechthoekje) ten noordoosten van de kerk behoren tot de wildforsterij omdat zij liggen op het
Lawijckerveld en Oltmans' tekst niet overtuigt, maar arbitrair is deze indeling wel. Hij zegt
Noordelijk en westelijk van de kerk strekken zich de aaneensluitende bouw- en weilanden uit,
met hier en daar verspreid liggende bouwhoeven. Echter ten noorden en westen van de kerk
tekent hij niets in op de kaart, wel de 2 opstallen ten noordoosten van de kerk. c) Oltmans gaat
er van uit dat er op de hof een burcht was. Maar tot nu toe is daarvoor geen bewijs gevonden,
zie Schoutambt & Heerlijkheid 4/2003.
25. Troepen, huurlingen waarschijnlijk, van de Bourgondiers, genoemd naar boten - galioten -
waarmee zij over de Rijn zouden zijn aangevoerd. De Galioten die Wolfheze aanvallen waren
in Mariendaal gelegerd.
26. Maar: "aantal huizen" is gerelateerd aan "oppervlak".
27. Aleid W. van de Bunt: Dorenweerd van heerlijkheid tot dorp. Uitgave Stichting Heemkundig
Museum, gemeente Renkum.
28. Huis Doorwerth: parochiaan; Huis Van Montfoort: leenheer kerk; De huizen Van Wijhe en Van
Wilp: leenmannen kerk; De RDO en diens landcommandeurs als leenmannen van de kerk; De
Van Lawijcks als wildforsters tot 1540; De hertog van Gelre: leenheer wildforstergoed en jager
in het gebied.
29. Inventaris van het oud archief der gemeente Arnhem. R Nijhoff, 1 864.
30. Beschrijving van Arnhem in Bijdragen en Mededelingen, dl 14, 1911. In Het Sint Catharinae
Gasthuis 1246-1636 maakt G.B. Leppink melding van een beeldenstorm in 1579 in de Grote
Kerk en de St. Walburgskerk; in de Gasthuiskerk worden crucifixen en beelden vernield.
31. H. Knippenberg: De religieuze kaart van Nederland, ISBN 90-232-2675-5.
32. Echo's van zes dorpen. Het Genealogisch & Historisch Genootschap Redichem, nr. 1, 1999;
54
Demoed pag 242. In Bijdragen en Mededelingen deel 40, 1937, pag. 69. noemt Driessen deze
pastoor Henricus de Bruyn en zegt dat hij voorheen kapelaan was te Oldenzaal.
33. J.F. Niermeyer. Honderd noord-nederlandsche oorkonden en akten uit de jaren 1254-1501, 2"
druk.
34. Bronnen: Het Hof van Gelre, G.J.M. Nijsten, Uitg. Kok Agora, Kampen, 1992. Kronijk
Historisch Genootschap Utrecht, 1 846.
35. Ministerialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen, Tabellen 1996, Gelderland Bibliotheek,
Arnhem.
36. I.A. Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland, deel 5, pag. 59.
37. Michiels zegt, pag. 3 1 , dat het huis van Stratius ten westen van Arndt Enk zou staan, maar dat
is een vergissing, zie op de Proceskaart hoe de omstreden weg loopt.
38. Het andere pad dat vanuit het zuidwesten op de heerwech uitkomt bestaat nu nog als wandelpad.
De rechte, noordwaarts lopende weg is nu nog vaag te herkennen vanaf de heerwech tot aan de
A50 en bestaat zelfs nog als wandelpad vanaf de A50 tot hij met de Balijeweg een T-splitsing
vormt, ca. 30 meter ten westen van de Johan Stratiuslaan.
39. Zijn ouders zijn mogelijk Henrick van der Straten, overleden 1521 en Gertrud Wychers,
overleden na 1521. Henrick van der Straten wordt in 1509 beleend met Het Hekersche Slagh
te Angerlo in het Graafschap Zutphen. De hypothetische gezinssamenstelling van het gezin
waarin Johan opgroeit is als volgt: Antonia Straetman, Hendrick op der Straten, Hermen van
der Straten, Johan Stratius en Peter van der Straten. Johan trouwt met Geertruyt NN en heeft
mogelijk tot zoon Anthonis van der Straten.
Johan 's levensdata zijn onbekend.Volgens Het archief van het hof van Gelre en Zutphen
(1543-1795), het hof vanjustitie (1795-1802) en het departementaal gerechtshof (1802-
1811), deel I, Arnhem 1978, pag. 281 is hij overleden op 19 april 1561. In Het Archief van
het huis Bergh Supplement 1932-1957 van A.P. van Schilfgaarde (pag. 48) staat: (15)61
April 21. Wilhelm, graaf totten Bergh etc. machtigt zijn dienaar N.N. om het goed de Gulden
Spicker, gelegen voor Arnhem, en dat in gebruik is bij dr. Stratius, over te dragen aan Joist
van Cranenfelt. (De Gulden Spicker is het latere landgoed de Zijp). Tenslotte blijkt uit het
Schepenregister Antwerpen 1587, nr. 389, p. 394-397 dat hij op 12 januari 1587 nog in leven
zou zijn. Op die dag is Mr. JANNE STRATIUS, Raedt van zijne Majesteit in Gelderlandt,
gehuwd met Maria Ortiz, weduwe van Francisco Pimenes. Johan Stratius was Raadsheer van
het Hof van Gelre en Zutphen en "militair auditeur". Tevens Ambassadeur van de Keizer in
Polen en Denemarken en in 1553 ook burgemeester van Arnhem. Studeerde waarschijnlijk
in de "twintiger jaren" in Leuven. Was beroepsjurist en universitair opgeleid. Stratius werd
30 januari 1544 beedigd als Raad van Het Hof van Gelre en Zutphen bij de oprichting ervan,
nadat Karel V het hertogdom en graafschap had ingelijfd. De Raad kende 2 "uitheemse"
raden en 4 "inheemse". De uitheemse raden waren gekwalificeerde juristen met kennis van
(uitheems) Romeins recht. Dit waren Adrien Nicola'i (op gezag van Karel V) en Stratius
(op gezag van de Landvoogdes te Brussel). De inheemse raden waren Gelderse edelen met
kennis van het (inheemse) gewoonterecht, dijkrecht, landrecht etc.: Christoffel, graaf tot
Meurs , als vertegenwooordiger van het Kwartier van Veluwe, Johan van Wytenhof namens
het Overkwartier, Jacob Pieck tot Yzendoorn namens Kwartier van Nijmegen en Jan van
Keppel namens Kwartier van Zutphen. Stratius was na de dood van Joost Sasbout in 1547
ook tijdelijk plaatsvervangend Stadhouder der Lenen totdat Sasbout definitief werd opgevolgd
door Nicola'i. Op 21 oktober 1529 oorkonden Wynant van Doernynck en Johan van Mekeren,
schepenen te Arnhem, dat Johan Verstraten en diens vrouw Geertruyt overgedragen hebben
aan Oliphier Hackffort en Johan Engellen ten behoeve van het hospitaal van St. Anthonis
buiten Arnhem een losrente van 3 goudgulden 's jaars, gaande uit hun huis en hofstede
in de Ketelstraet, grenzende aan het St. Claes' gasthuis. Gegeven in den jaer ons Heren
vijfftienhondert negen ende twyntich op die Thienduysent martelers dach. Waarschijnlijk
betreft het hier Johan Stratius, niet in de laatste plaats vanwege de voor naam van zijn
vrouw en het feit dat hij later zijn zoon de naam Anthonis geeft. Op 25 januari 1 544 wordt
60
hij door de landvoogdes gecommitteerd tot "gewone raad" van Gelre en Zutphen en op 30
januari 1544 als zodanig beedigd. Tevens is hij auditeur militair. Rond 1547 is hij enige tijd
stadhouder van de lenen. In maart 1548 wordt hij genoemd doctor en raad, meester en in
november 1548: doctor in de rechten en raad van de keizer in Gelderland. In 1549 schrijft
Johan Stratius, raad in het Hof, een rapport als keizerlijk afgezant, van zijn onderhandelingen
met de kroon van Denemarken inzake de Sonttol.
Op 8 januari 1553 wordt Johan van der Straeten genoemd als schepen te Lymborch.
Waarschijnlijk is dit Stratius. Op 23 maart 1553 (op donresdach post Judica) schrijft de stad
Nijmegen aan Marie, koningin-weduwe van Hongrien enz., regentes der Erfhederlanden
(van 1531-1555). Verzoek, Johan Stratius, raad van de keizer in Gelre en burgemeester der
stad Arnhem, als gedeputeerde namens de vier hoofdsteden te willen ontvangen betreffende
zaken van de Duitse Hanze en hem, in verband met de eerdaags te houden Hanzedag te
Liibeke, weer spoedig te laten vertrekken. Aangezien Maria van Hongarije als Landvoogdes
de Nederlanden vanuit Brussel bestuurde moet Stratius vanuit Gelre over Brussel naar Liibeck
zijn gereisd.
In 1554 verkopen Gerryt van Wijk en Anna van der Stege aan Dr. Johan Stratius, readt
des kon. majesteit, de Pampell te Bennekom. (RA Veluwe). In een andere acte betreffende
dezelfde transactie (Tuchten Veluwe) wordt Stratius echter Dr. Johan Straetman genoemd. Na
de dood van Stratius wordt "die Pampell" verkocht door Anthonis van der Straten. Peter van
der Straten is momber voor Anthonis. Hieruit trekken we de voorlopige conclusie dat Johan
een zoon had die Anthonis heette, en een broer die luisterde naar de naam Peter. Met dank aan
Ruud Straatman, Amsterdam.
40. Gelre 's Bijdragen en Mededelingen, dl 50, 1950, pag. 16.
41. Een poortgebouw is er niet geweest. Wei een woning, hoogstwaarschijnlijk de pastorie (de
wehme), zie de Proceskaart.
42. Hendrik Van den Bergh (1573-1638) is verwant aan de Oranjes, maar in Spaanse dienst. Hij
verblijft niet vaak op kasteel 's Heerenberg en de archivaris van dit kasteel, de heer Peter
Bresser, meldt dd. 16 maart 2004 dat dit de reden is waarom het archief weinig stukken heeft
van en over Hendrik. Er is geenjournaal van Hendrik 's veldtochten van de jaren 1624 en 1629.
De digitale Google kopie van de Kronijk 1858 van het Historisch Genootschap te Utrecht pag.
15 e.v. bevat correspondentie van enkele actoren aan Staatse kant, onder wie Prins Maurits.
De tocht van 1624 : Volgens I. A. Nijhoff in de Geldersche Volksalmanak van 1859 bestaat de
troepenmacht uit 10 of 12 regimenten voetvolk en 40 compagnieen ruiters. Van Schilfgaarde
spreekt in Het Huis Bergh, 1950 over 5 a 6000 man infanterie, een corps cavallerie en enig
geschut.
De tocht van 1629 : De troepenmacht omvat 32 compagnieen te paard, 6 stuks geschut en
7000 man voetvolk. Van den Berg voert Spaanse troepen aan, Montecuculi leidt de keizerlijke
troepen bestaande uit Duitsers, Croaten en Italianen met Jan van Nassau, die in 1613 katholiek
is geworden en naar het Spaanse kamp is overgelopen. Download 10-03-2004 RE VI 001 Over
01 en De Navorscher 1887, p. 164. Volgens Biografisch Woordenboek 12 c deel, 2 C stuk uit 1869
bestaat Montecuculi's troepenmacht uit 14000 voetknechten en 3000 ruiters. Deze Montecuculi
heet Ernst en niet, zoals sommigen menen, Raimond. De Montecuculi's vormen een aanzienlijk
Italiaans geslacht in Modena.
43. De hellingshoek is nu niet meer goed te bepalen. Door grondverplaatsingen o.a. in 1845, 1846
en 1893 moet de terp flink zijn vervormd. Wellicht zijn de omliggende gronden als akkers
gebruikt en opgehoogd door eeuwenlange bemesting met heideplaggen.
44. Vloeibaar vuur. Grieks vuur voldeed aan de eisen voor een krijgsmatige inzet. Uitvinder en
bestanddelen zijn onbekend. De basis moet petroleum zijn geweest. De destillatie van petroleum
wordt al in 400 A.D. beschreven door de chemicus Zosinus van Panapolis uit Alexandrie. Verder
moeten er nog toevoegingen zijn geweest als zwavel, wijnsteen, lijm, pek, gesmolten salpeter
en gummi. De pyrotechniek was destijds staatseigendom en -geheim. In het verloop van de
Middeleeuwen ging de kennis over de bereidingswijze van Grieks vuur verloren. Men hoorde
61
er eeuwenlang niets meer over. Bron: Opgediept verleden van Tino Prins; download maart
2003. (Tekst aangepast door HJ).
45. H.C.J. Erkens. Uit de oude doos. ISBN 90-75665-07-5.
46. Een kaart naar B. Kempinck uit 1602, waarop de grenzen van de Heerlijkheid Doorwerth staan
ingetekend toont de Wolfhezer kerk ogenschijnlijk intact, met toren en spits; een kaart van
Kempinck uit 1616 toont de kerk met spitsloze toren en met een gebouw, zo op het oog een
huis met tentdak vrij dicht tegen de zuidoost hoek van de kerk aan en iets verder dan de kerk
oostwaarts uitstekend. Deze kaart heeft waarschijnlijk een politiek oogmerk gehad en is niet
zonder meer te gebruiken als aanwijzing dat de kerk intact is. (Het archief der Geldersche
Rekenkamer 1559-1795, deel I, pag. 266). Op de kaart Geldria et Transysulana in de Atlas
van Mercator-Hondius uit de beginjaren van de 17° eeuw wordt de kerk nog geheel intact
ingetekend; Bijleveld geeft Groneman een oude schetskaart uit de l e helft van de 17 e eeuw
waarop de kerk voorkomt met een toren terwijl de "Cappel in het Doorwerthsche bosch aan
den gemeinen weg door Coenen boss" door een "dakruitertje" is aangegeven. De kaart van de
Vastelavonts Tocht toont de kerk ogenschijnlijk intact, althans met toren en spits. Wei wordt de
kerk afgebeeld met de toren in het oosten. A. Van Slichtenhorst, kaart De Velouwe, het laeste
vierdeel van Gelderlandt, Boeken van de Geldersse Geschiedenisse uit 1654: De kerk met toren
en spits. Is. Van Geelkercken maakt in 1666 een kaart waarop de kerk met toren, zonder spits
voorkomt; er is een aanbouw in de zuidoost hoek van de zaal, die iets voorbij de zaal oostwaarts
uitschiet. Hertogdom Gelre, vierde kwartier dat is het Arnhemse, ofwel Veluwe, 17° eeuw: Kerk
met toren en spits.
47. Een kaart van deze tocht - meer een artist's impression - is te vinden in De geschiedenis van
Gelderland 1492-1795, dl 2 van P.J. Mey e.a., Walburg Pers Zutphen 1975.
48. De enkele schoten van de Spanjaarden op de stad worden afgevuurd vanaf de Galgenberg, pal
ten noorden van de stad.
49. De troepenmacht wordt in drieen gedeeld. Montecuculi trekt eerst naar Amersfoort en verovert
de stad vrij gemakkelijk. Het is aannemelijk dat hij daarna verwoestingen in Ede heeft
aangericht.
50. Bij een schadevergoedingsregeling van het Kwartier uit 1631 krijgt een aantal kerken een
zekere compensatie voor de in 1629 door de Spanjaarden veroorzaakte schade. Omliggende
kerken die ervan profiteren zijn die van Oosterbeek, Renkum, Ede en Bennekom. De kerk van
Heelsum wordt niet genoemd. Onbekend is of de kerk is beschadigd. Zou dat wel het geval zijn
dan lijkt het aannemelijk dat het Kwartier heeft besloten geen vergoeding te verlenen gelet op
de houding van huis Doorwerth in de kwestie van het onderhoud van de Heelsumse kerk.
51. Duizend jaar wind en water in de Lage Landen, J. Buisman. ISBN 90.5194-141.
62
3. WAAROM EEN KERK IN WOLFHEZE?
3.1. INLEIDING
Het valt niet uit te sluiten dat het Christendom sporadisch zal zijn voorgekomen in de noordelijke
Lage Landen tot aan de 9" eeuw. Vanaf omstreeks 800 echter wordt de bevolking aldaar -
althans de sociale elite - door Angelsaksische predikers gekerstend. Geldt dat ook voor de
Veluwezoom? Liudger heeft een flink aandeel gehad in de kerstening van de Veluwe, maar
voor de Veluwezoom geldt dat er geen plaatsen zijn die definitief aan met name genoemde
missionarissen kunnen worden gerelateerd.
Demoed veronderstelt dat er voor de bouw van de 10 e - eeuwse stenen kerk in Oosterbeek
een houten kapelletje is gesticht, als gevolg van de prediking van Willibrord, Bonifacius,
Werenfried en Liudger, maar hij onderbouwt zijn visie niet. In een artikel in deel 8 van
Ach lieve tijd, pag. 176 wordt gesteld: Rondom Arnhem werd het geloof gepredikt door
Werenfried De Boer meent dat Willibrord in Renkum een houten kapel heeft opgericht 1
die na het jaar 1000 wordt vervangen door een kerk. Hij voert geen bronnen aan, maar baseert
zich waarschijnlijk op Schimmelpenninck Van den Krijenburg die zegt 2 De door Willebrord
gestichte kapel stond nog voor 25 jaren in de onmiddellijke nabijheid van die plek (= de weide
van het Renkumse klooster). Over de Duno-schans zegt de Boer dat er een offerplaats, een
heiligdom, vergaderplaats, plek van rechtspraak of voor lijkplechtigheden kan zijn geweest.
Later schijnt hier het Evangelie te zijn verkondigd door de oude geloof shelden.
Volgens Milis heeft het kersteningsproces een vast patroon, dat hij tabellarisch samenvat:
HANDELINGEN.
pagane praktijken: verbod
christelijke handelingen: gebod
waarzeggerij
-
toverij
zich bekruisen, Geloofsbelijdenis en Onze Vader
reciteren
bijwonen van feesten
bijwonen van vieringen op zon- en feestdagen in
de kerk
verering van idolen
vernieling van idolen, exclusieve aanbidding van
God en respect voor de kerk
ziektebezweringen
Heilig Oliesel en de Communie,
biecht en boetedoening
daden van morele aard: verbod
gebod:
doodslag; diefstal
vredelievendheid; gastvrijheid
woeker; haat
naastenliefde; vergevingsgezindheid
leugen; sexuele losbandigheid
eerlijkheid; kuisheid
ijdelheid
nederigheid
vraatzucht en dronkenschap
soberheid
bijwonen van ijdele, wrede
spektakels
meditatie over religieuze onderwerpen
63
GEL OOF
verbod
heidense goden, demonen,
amuletten, waarzeggerij , noodlot,
astrologie (op hemel letten om b.v.
een werk te beginnen)
gebod:
geloofswaarheden van de Geloofsbelijdenis; met
geloofen devotie de Geloofsbelijdenis en Onze
Vader opzeggen; bij alles zijn hoop op Christus
plaatsen; bij ziekte op God vertrouwen
Hij zegt dat eerst wordt geijverd voor de aanpassing van het openbare leven. De steun die de
kerk (vaak) van het wereldlijk gezag krijgt vergemakkelijkt het opleggen van een nieuw, sociaal
en collectief gedrag (b.v. verbod heidense feestvieringen). De daarop volgende bekeringsfase
beoogt het externe, maar nu individuele gedrag te regelen (b.v. betrachten zondagsrust). De
derde fase heeft betrekking op het inwendig gedrag. Het denken en het voelen moeten onder
controle worden gebracht en de sociale sanctie die afwijkend gedrag reguleert moet in deze
fase de plaats ruimen voor het geweten.
Aan de hand van de tabel is te begrijpen dat het Christendom diep heeft ingegrepen in het
dagelijks leven van de mensen. En ook dat de tot het Christendom bekeerde mens wel de
"nieuwe mens" is genoemd. Door de christenen uiteraard.
Aangenomen wordt dat de sociale top op de zuidelijke Veluwe in de 9 e eeuw tot het Christendom
is toegetreden. Immers, in de loop van deze eeuw worden daar door landheren en vorsten
gronden en goederen 3 geschonken aan het bisdom Utrecht en aan Duitse kloosters en abdijen.
De lager geplaatsten op de sociale ladder zullen echter vrij spoedig zijn gevolgd en tegen
het jaar 1000 zal het Christendom min of meer zijn gevestigd als de belangrijkste godsdienst
op de Veluwezoom. Maar nog eeuwenlang zijn heidense gewoonten en ideeen gemeengoed
gebleven. De angst voor heksen, spoken, katten, witte wieven en weerwolven blijft zeker tot
in de 18 e eeuw bestaan. Heldring maakt in het begin van de 1840-er jaren nog mee dat een
oude Wolfhezenaar geloof hecht aan de beschermende werking van een paardenkop tegen
nachtmerries. Maar, zegt hij, het geloof aan spoken, heksen en weerwolven is veel geweken
sedert de dagen mijner kindschheid.
Terug naar de vraag: Waarom een kerk gebouwd op deze plaats?
Tot nu toe zijn geen bronnen gevonden die tot een antwoord op deze vraag kunnen leiden.
Maar wordt de vraag bezien in de context van de eeuwenlange strijd van het Christendom tegen
het heidendom dan lijkt het toch mogelijk er enig licht op te werpen. Een andere invalshoek is
de vraag te benaderen vanuit het perspectief van de bouwheer. Hij heeft de ontwikkeling van
het geloof en de versterking van de kerk in de regio voor ogen gehad en de manier om dat te
verwezenlijken. En vervolgens spelen een rol de belangen van de bouwheer zelf.
Kortom, er zijn de lange termijn doelstellingen: a/het winnen van de strijd tegen het heidendom
en b/ de eigen ontwikkeling in ruimte en tijd en een plan van aanpak: c/ realisering van de
objectieven van kerk en bouwheer.
En waarschijnlijk lopen de doelstellingen en het plan van aanpak van bisdom en bouwheer -
ook als de laatste een eigenkerk zou oprichten - niet ver uiteen.
64
3.2. CONFRONTATIE HEIDENDOM - CHRISTENDOM
Schmitt 4 schrijft: Waterlopen, meren, bronnen, rivieren en moerassen zijn plaatsen waar het
heidendom zich in de ogen van de heilige bisschoppen manifesteert.
En Schuyf 4 , schrijvend over heidens Nederland, zegt: In de late ijzertijd vindt men vooral
heilige plekken in de natuur. Dit waren 'overgangsplekken ' tussen hemel en aarde, water en
land, oppervlak en diepte: moerassen, bossen, bomen en bronnen.
Uit haar onderzoek blijkt dat elk daarvan tot ver in de Middeleeuwen voorwerp van verering is
gebleven en soms tot ver daarna een speciale plaats in volksgebruiken blijft behouden.
Deze twee citaten leiden tot de aanname dat het gebied van Wolfheze, met zijn bomen, bossen,
bronnen, beek of beken en drassige gronden in het beekdal voor "het heidendom" een attractieve
vestigingsplaats is geweest. Vormen de heidense heilige plaatsen op zich al een uitdaging aan
de christelijke kerk om zich hier te manifesteren, daar komen andere overwegingen bij, die
aangrijpen op heidense gebruiken.
• De kerk wordt omgeven door een aantal grafheuvels en steekt er letterlijk torenhoog
boven uit. Borman 5 merkt op dat de Germanen een heilige angst voor de grafheuvels van
hun voorouders hebben. Voorouderverering, niet getolereerd door het christelijk geloof, heeft
plaats nabij grafheuvels en wordt tot ver na de kerstening gepraktiseerd. Bij grafheuvels
hebben heksen- en kattendansen plaats en zij zijn tevens de woonplaats - volgens de Drentse
dominee Jan Picardt (1600-1670) - van "witte wieven". Tot in de 18 e eeuw zijn er wel galgen
geplaatst op of nabij grafheuvels voor de terechtstelling van misdadigers 6 . Later zal de heer
Van Brakell van Doorwerth een kerkhof inrichten nabij de grafheuvels, aan de Zwarte Weg
(ongeveer het huidige fietspad aan de noordzijde van de A50.)
Trekken we op de tumuli-kaart van Houkes vanuit de Wolfhezer kerk een cirkel met een
middellijn van twee km dan vallen er in elk geval veertien binnen het gebied. In September
1904 rapporteert Holwerda dat hij tumuli heeft aangetroffen ten noorden van de kerk. Hij
noemt geen aantal. Houkes vermeldt deze heuvels niet. Wellicht zijn ze bij de aanleg van de
snelweg verdwenen. Daarnaast kunnen er toen de kerk werd gebouwd nog andere grafheuvels
zijn geweest die inmiddels al (lang) zijn verdwenen. De kerk zal dus oorspronkelijk door
minimaal zestien tumuli zijn omgeven.
GRAFHEUVELS
IN HET GEBIED
ARNHEMHEELSUM
De kerklocatie is
het middelpunt van
een cirkel met een
middellijn van 2 km.
Met dank aan dhr. R. Houkes
van de AWN, afdeling 17
te Arnhem.
'■■-■ y "■•■Ui'i
65
Hoogstwaarschijnlijk is de kerk vanaf de grafheuvels, behoudens bosschages, goed
zichtbaar.
• Sint Eligius predikt in 641 dat de ware christen (o.a.) geen licht laat branden nabij tempels,
bomen, bronnen en kruispunten van wegen. Later wordt het opportuun geacht juist daar kerken
te bouwen. Bomen zijn er in het toenmalige Wolfheze zeker geweest, bronnen zijn er ook.
Vaak zijn kerken gebouwd op of bij kruisingen van wegen, wellicht bij wijze van uitdaging
aan het Germaanse geloof dat de geesten der doden samenkomen op kruispunten van wegen.
De kerk ligt ten tijde van de bouw hoogstwaarschijnlijk ook aan een kruispunt en wel van de
heerwech en de noordzuidweg. Hoogstwaarschijnlijk, want de aanwezigheid van de heerwech
omstreeks het jaar 1000 is nog niet definitief bewezen.
• Nieuwe kerken worden gebouwd in de nabijheid van helder natuurwater om de doop te
bedienen. De Wolfhezer kerk is gebouwd nabij de Zwarte Kolkbeek. De thans bekende andere
beken in het gebied zijn er dan hoogstwaarschijnlijk nog niet en de Heelsumse beek is er zeker
nog niet.
• Paus Gregorius de Grote I bepaalt dat nieuwe kerken moeten worden gebouwd op heidense
cultus- of grafvelden.Veel kerkbouwers houden zich aan dit voorschrift, maar de pauselijke
voorschriften zijn ten tijde van de bouw van de kerken in Oosterbeek en Wolfheze al ettelijke
eeuwen oud en de (kerkelijke) wereld is inmiddels fiink veranderd. Zouden de kerkbouwers
van de 10 e en de 1 l e eeuw en de heren van de eigenkerken zich nog hebben bekommerd om
de ideeen van Gregorius de Grote?
Tiemens meent dat de Oosterbeekse kerk is gebouwd op een grafveld of cultusplek uit de
voorchristelijke tijd.
Voor Wolfheze staat niet vast of de kerk op een heidense cultusplek is gebouwd, maar het
is wel waarschijnlijk 7 . Groneman schrijft er niet over in zijn verslag; pas in zijn brief van
5 oktober 1904 aan het Rijksmuseum van Oudheden oppert hij de mogelijkheid van een
eerdere offerplaats of tempel.
Kortom: Wolfheze is voor de bouwheer van de kerk een attractieve lokatie om zijn christelijk
geloof te manifesteren. Hier kan hij op indringende wijze aantonen dat zijn god de sterkste
is.
En dat gebeurt dan ook, (vroeg) in de 1 l e eeuw met een stenen kerkje of eerder al met een
houten variant.
De lokatie ligt op + 25 m NAP. NAP-waarden zijn de Middeleeuwer onbekend, voor hem
gelden waarneembare hoogte en lokale hoogteverschillen, de visuele hoogte. Welnu, de kerk
staat op een (natuurlijke?) terp en is vanuit alle richtingen goed zichtbaar. Het gebouw is
dominant aanwezig, alhoewel dat thans wellicht minder opvalt dan ten tijde van de bouw.
De oorspronkelijke hoogteverschillen in de omliggende gronden zijn veranderd door het
plaggensteken en door de bemesting van akkers met houtstrooisel en heideplaggen. De akkers
kunnen in de loop der tijd wel 1 a 2 meter in hoogte zijn gestegen, de omliggende heidevelden
daarentegen gedaald met een meter of meer.
Ook valt niet uit te sluiten dat zandverstuivingen aan de hoogteveranderingen hebben
bijgedragen. Booronderzoek zou informatie kunnen verschaffen over de opbouw van de
gronden.
66
De kerk lijkt welhaast op deze lokatie te zijn gebouwd om een maximaal uitdagend effect
te hebben op de heidense bevolking 8 . Deze suggestie wordt ondersteund door de volgende
overweging: Aangetoond is dat het gebied al in de prechristelijke tijd is bewoond. Karel de
Grote (742-814) combineert zijn strijd tegen de heidense Saksen met de strijd tegen de wolf.
In de Vroege Middeleeuwen beelden christelijke heiligen de heidense demonen vaak uit als
wolven.
Is er een bijtender uitdaging aan het heidendom dan een kerk te bouwen op een plaats die door
de heidenen met de door hen vereerde wolf wordt geassocieerd?
Tenslotte nog dit: Indien en voor zover de bouwer van de kerk zich heeft laten leiden door
religieus getinte animositeit jegens de heidense omwonenden dan moeten deze laatsten nog
een factor van belang zijn geweest. En dat is vooral het geval voor - zeg - het jaar 1000,
althans in een periode toen houten kapellen nog gebruikelijk waren.
3.3. ONTWIKKELING VAN DE KERK
BOUWHEER
Onbekend is wie de bouwheer van de kerk is. Kerkrechtelijk valt kerkbouw onder de
bisschop.
In de context van het gestelde onder 3.2. is het redelijk te veronderstellen dat de kerklokatie
is gekozen door een religieuze organisatie (kerk, klooster, bisdom, orde) dan wel door een
bouwheer die toegang heeft tot zo'n instelling of er deel van uitmaakt. Immers, deze keuze lijkt
gebaseerd op een gedegen inzicht in heidense gebruiken en zo gei'nspireerd door institutioneel
strategisch denken dat die niet door een lokale heerser, die zijn eigen kerk wil bouwen, zal
zijn genomen.
Zoals in hoofdstuk 4 wordt uiteengezet is de kerk zeer waarschijnlijk een eigenkerk geweest.
Het eigenkerksysteem hangt samen met de grondeigendom: de eigenaar van de grond heeft de
daarop gebouwde kerk in eigendom. Waarschijnlijk heeft het grondgebied van de nederzetting
Wolfheze behoord aan de familie Hamaland. Omstreeks het jaar 1000 worden echter over de
Hamalandse bezittingen en eigendommen stevige gevechten geleverd tussen de leden van de
familie onderling en van sommigen van hen met de Duitse keizer en bisdom Utrecht, zie
hoofdstuk 1.
Ten aanzien van de vraag wie de rechtsopvolgers zijn van de bouwheer zijn nu tal van
veronderstellingen mogelijk. Echter, elk daarvan dient zich te bewegen tussen twee ver
uiteenliggende polen: enerzijds het jaar 1000 als het gebied van Wolfheze waarschijnlijk nog
eigendom is van Hamaland en de kerk wordt gebouwd en anderzijds het jaar 1413 wanneer de
burggraaf van Montfoort de eigendom heeft. Bisdom Utrecht zou de eigendom van de
Wolfhezer kerk hebben kunnen overdragen aan de burggraaf Van Montfoort, b.v. bisschop
Godfried die rond 1 170 het kasteel Montfoort bouwt.
Een andere veronderstelling: Tijdens of rond de "Brabantse periode", zeg vanaf de 1 l e eeuw
tot in de eerste helft van de 14 e eeuw, is het gebied van Wolfheze in handen gekomen van
Brabantse leenhuizen. Deze veronderstelling is minder verrassend dan hij lijkt. Er is lange tijd
een relatie geweest tussen de Veluwezoom - Oosterbeek - en Brabantse leenheren:
• Rond 1196 draagt de heer van Gelre zijn universum allodium quod habetat in Osterbeke
cum monte over aan de hertog van Brabant en ontvangt het van hem in leen terug.
67
• Volgens de Bossche Protocollen verklaart Boudewijn, voorheen heer van Vught op
10 augustus 1257 dat de hertog van Brabant alle goederen in Oosterbeek die hij aan zijn
zuster Mathilde als huwelijksgift heeft geschonken en die verpand waren, voor 350 pond zal
kunnen lossen van degene die ze houdt.
• Jan Van Megen heeft na 1355 een leen gehad op Oesterbeke met den berghe ende met sinen
toebehoirten. Bekend is dat deze Jan nogal eens foutief is geduid en is verwisseld met Jan
Van Mierlo. Zeer waarschijnlijk is er een relatie geweest tussen het huis Van Mierlo en de
burggraven van Montfoort. De eerste heer Van Mierlo (Roelof Rover van Rode, f circa 1220)
is een leenman van de hertog van Brabant en heeft familierelaties met de heren Van Heeze 9 .
Belangen en motieven van de bouwheer
Het is - om strategische redenen - usance dat 10 e - en 1 l e - eeuwse kerken zoveel mogelijk aan
belangrijke noord-zuid routes worden gebouwd 10 en liefst ook nog aan een verkeersknooppunt.
De Wolfhezer kerk voldoet aan het eerste criterium en waarschijnlijk ook aan het tweede.
Strategische opvattingen liggen ook ten grondslag aan de beslissing om tussen de kerspels
Oosterbeek en Renkum een derde parochie in te lassen. Immers, zonder de parochie Wolfheze
zouden de kerspels van Oosterbeek en Renkum wel erg groot worden en moeilijk te bewerken
- d.w.z. te belopen - voor een pastoor. Langs de Veluwezoom liggen vijf parochies, die a.h.w.
de Rijn als basis hebben, n.l, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Renkum en Wageningen. De
afstanden tussen de parochiekerken van deze plaatsen zijn circa 3 a 4 km hemelsbreed. Dat
komt ongeveer overeen met de onderlinge afstand van Betuwse kerspelkerken.
Volgens Oltmans ligt de kerk excentrisch in de parochie Wolfheze en wel aan de noordgrens
ervan. Daardoor vormt de kerk als het ware een vooruitgeschoven post op de Veluwe. Alleen
de Wolfhezer kerk ligt zo ver noordelijk, de andere kerken liggen vrijwel op een rechte lijn
nabij de Rijn. Heeft de bouwheer welbewust gekozen voor een lokatie buiten de heerlijkheid
Doorwerth? Is er een verband met het gegeven dat Doorwerth geen deel heeft uitgemaakt van
de Brabantse beleningen aan Gelre? Het is alles onbekend.
Rest nog de vraag of de bouwheer en/of het bisdom de bevolking voldoende groot acht om
er een kerk voor te bouwen. Over het algemeen is bevolkingsdichtheid geen factor van grote
betekenis bij de beslissing een kerk te bouwen. Tal van kerken zijn in dunbevolkte gebieden
gebouwd, al zal het bisdom rekening hebben gehouden met de bevolkingsomvang bij de
indeling van zijn territorium in kerspels en daarmee met de bouw van kerken.
TERRITORIAAL MODEL VAN DE VELUWE
OP BASIS VAN KERKEN EN KAPELLEN
De dunne lijnen stellen de werkelijke grenzen
voor. Bron: HA. Heidinga. De Veluwe in
de Vroege Middeleeuwen. Aspecten van de
nederzettingsarcheologie van Kootwijk en zijn buren.
Tiemens zegt dat in de Middeleeuwen een gemeente van ca. 200 zielen een kerk of kapel
kreeg, te bedienen door een pastoor of kapelaan. Onduidelijk is waarop hij deze mening
baseert, maar een bevestiging hiervan is te ontlenen aan de bouw van de kerk te Heelsum rond
1518: het inwonertal van heerlijkheid Doorwerth wordt voor die tijd wel geraamd op ca. 200
mensen.
Hoe dan ook, de bevolking van de parochie moet in elk geval tot aan het begin van de 15 e
eeuw vrij snel zijn toegenomen door de expansie van huis Doorwerth in het zuiden van het
kerspel en door de vestiging van enkele boerderijtjes of huisjes van het wildforstergoed in het
noordoosten ervan.
Maar al deze strategische criteria worden opgelegd door de kerk vanuit de wens om het gebied
onder controle te brengen. Zou de bouwheer van een kerk binnen het eigenkerksysteem niet
ook oog hebben gehad voor zijn eigen belangen? Zou er niet op zijn minst een mix van private
en institutionele belangen zijn ontstaan?
De bouwheer en/of het bisdom kan een snelle bevolkingstoename hebben verwacht.
Opvallend is de grootte van de zaal van de kerk: ruim 125 m 2 . Daar kunnen heel veel meer
mensen de kerkdiensten bijwonen dan de eigenaar nodig had voor zijn familie. En ook
aanzienlijk meer dan het aantal parochianen omstreeks het jaar 1000 of later in de 1 l e eeuw.
Hij (het) kan de hoop hebben gehad dat parochie Wolfheze een verbinding zou gaan vormen
tussen de noordelijker gelegen kerspels en de Rijn, met alle mogelijkheid om tolgelden te
heffen. Een aanwijzing daarvoor is te ontlenen aan Heidinga's territoriaal model van de
Veluwe op basis van kerkgebouwen.
De bouwheer kan oog hebben gehad voor de commerciele mogelijkheden - handel, tolgelden
en logement - van een kerk aan twee elkaar kruisende belangrijke wegen: een "zichtlokatie"
avant la lettre.
Hiermee lijken dan wel de vragen naar en de veronderstellingen over de motieven van de
bouwheer te zijn uitgeput.
Onbekend is waarom men binnen het gebied van Wolfheze precies voor deze lokatie heeft
gekozen. Detailkennis van het grondbezit en -gebruik ten tijde van de bouw ontbreekt.
Ook kan de keus voor de bouwlokatie zijn genomen, omdat zich precies daar een heidense
cultusplek bevond.
BOUW
Enige tijd nadat de bevolking is gekerstend en relatief kort na de bouw van de kerk in
Oosterbeek's Benedendorp, wordt in het gebied van Oud - Wolfheze een stenen kerkje
gebouwd.
De eerste parochianen, nog maar nauwelijks geconfronteerd met de nieuwe leer die hun
leven drastisch heeft veranderd en nog steeds verandert, maar die nog vasthouden aan tal van
heidense gewoonten en rituelen, zien voor hun ogen - de meesten waarschijnlijk voor het eerst
- een groot stenen gebouw ontstaan.
De vroege stenen kerkjes worden vaak gebouwd omdat zij (beter) bestand zijn tegen
brandstichting dan hun houten voorgangers; ze zijn, bouwkundig bezien, een novum. Er zijn
tot nu toe geen bouwtekeningen van gevonden en het is denkbaar dat die, althans aanvankelijk,
ook niet zijn gemaakt 11 .
69
Veel van het benodigde bouwmateriaal wordt van elders aangevoerd, want tufsteen, spijkers
en tegels zijn in deze streken niet of nauwelijks voorhanden en heel vaak, meestal, zijn er
monniken bij betrokken. Zij - vaak van Duitse kloosters die uitgebreide goederen en gronden
hebben in de noordelijke Lage Landen - weten waar de oude tempels, kazernes en overige
gebouwen van de Romeinen staan en kennen de markt van sloopmateriaal. Ook kennen zij de
mogelijkheden om afbraakmateriaal en tufsteen vanaf de vindplaatsen naar de bouwplaatsen
alhier te vervoeren. Inderdaad zijn op de Veluwezoom tot nu toe geen restanten gevonden
van origineel-Romeinse bouwwerken als bron van Romeins bouwafval, terwijl dat wel in
Oosterbeek, Wolfheze en elders op de Veluwezoom is gevonden.
Waarschijnlijk krijgen de monniken hulp van autochtonen die de vindplaatsen van keien en
leem kunnen aanwijzen. Het hout dat in de kerk - of in een vroegere houten kapel - wordt
verwerkt is bij voorkeur afkomstig uit de heidense heilige wouden.
Er zullen veel Wodanseiken zijn geveld!
ENKELE WODANSEIKEN IN 2008
BOUWJAAR
Tot nu toe is onduidelijk in welk jaar ongeveer de stenen Wolfhezer kerk is gebouwd.
Het veldonderzoek van het AAC zal hopelijk een indicatie opleveren. Hopelijk, want de
kerkresten zijn in het verleden al ettelijke malen blootgelegd en de omgeving is sterk vergraven.
De fundamenten van de kerk zijn deels verdwenen, de kerkgraven verstoord.
Groneman schrijft op 05-10-1904 aan het Rijksmuseum van Oudheden o.a. Wat het karakter
der ruine, nu bijna geheel beroofd, betreft
Kortom, alle ingredienten zijn aanwezig om een betrouwbare schatting van het bouwjaar op
archeologische bevindingen en interpretaties te bemoeilijken.
Echter, zoals hiervoor is opgemerkt, zal de bouw van de kerk onderdeel zijn geweest van
een plan, hier een kerkelijk ontwikkelingsplan voor de Veluwezoom. Dit is des te meer
waarschijnlijk omdat de kerken in dit gebied ook zouden gaan dienen als moederkerken van
de Betuwse kerken, zie 6.4.
70
In het plan zijn op zijn minst de volgende punten aan de orde geweest:
• de parochie-indeling op basis van bevolkingsomvang, -dichtheid en -concentratie
• de vraag of de te kiezen locatie voldoet aan de belangrijke vestigingscriteria
• de bouw van de godshuizen zelf.
Bevolking en parochie-indeling
Over de bevolkingsomvang in het gebied is al iets gezegd.
Over de vroegste parochiele indeling op de Veluwezoom is zo mogelijk nog minder bekend
dan over bevolkingsaantallen aldaar.
*^*53^>
DE VELUWEZOOM TUSSEN ARNHEM EN WAGEN1NGEN 1558/9
Bron: Chr. Sgroten.
Oltmans - commies Rijksarchief in Gelderland en historievorser - meent dat de parochies van
Oosterbeek, Wolfheze en Renkum in de 1 P eeuw een feit zijn.
Voor wat betreft de locatie van de Wolfhezer kerk is al opgemerkt dat die aan belangrijke
kerkelijke criteria voldoet.
Dan nu een poging om op basis van de gedachte dat er sprake is geweest van een geplande
ontwikkeling te komen tot een schatting van het bouwjaar van de kerk te Wolfheze. Het ligt
in de rede te veronderstellen dat de kerken langs de Veluwezoom min of meer gelijktijdig zijn
gebouwd.
71
• Bouwjaarschattingen van kerspelkerken op de Veluwezoom.
BRON
KWALIFICATIE
JAAR
BASIS"
SCHATTING
BOUWJAAR
OOSTERBEEK
P. Glazema
Rijksbureau Monumenten-
zorg Afd. Oudheidk.
Bodemonderzoek
1946
vo
1000
W.H. Tiemens
Restauratie-architect gem.
Arnhem,
amateur historicus
1977
BO
945
WOLFHEZE
W. Pleyte
RMO b
1893
VO/BO
1000
RENKUM
Oorkonde
Radengheim cum ecclesia. . .
1031
< 1031
WAGENINGEN (BERG)
Historie ofte Beschryving van 't Utrechtsche Bisdom
1719
?
1000 c
Gemeente Wageningen, Geschiedenis van de stad
2007
?
1000"
a. VO = Veldonderzoek; BO = Bronnenonderzoek. b. Rijksmuseum van Oudheden.
c. Letterlijke tekst op pag. 129: Toen het licht des Christendoms hier begon op te dagen.
d. Download 27-04-2007.
Elk van de bouwjaar-schattingen van de vier parochies komt uit op het jaar 1000 en elk is
afkomstig uit origineel bronnenmateriaal resp. van onderzoekers die hun conclusies op (eigen)
onderzoek stoelen.
Het bouwjaar van de stenen Wolfhezer kerk kan in deze visie worden geraamd op omstreeks
het jaar 1000, zoals Pleyte 12 - op basis van andere gegevens - heeft gedaan.
Maar: hoe zeker is het dat het hier om stenen kerken gaat? Voor de Oosterbeekse kerk lijkt dat
vast te staan, voor die van de andere plaatsen niet. Weliswaar beginnen de eerste stenen kerken
omstreeks het jaar 1000 te verschijnen, het gaat wat ver om te veronderstellen dat een stenen
godshuis wordt gebouwd in het vrijwel lege land van Wolfheze, relatief ver verwijderd van
grote woonkernen. Bovendien is de argumentatie van Pleyte niet sterk. In het licht hiervan en
in aanmerking nemende de opmerking aan het einde van 3.2. is het vermoeden gerechtvaardigd
dat er rond het jaar 1000 te Wolfheze een houten kerk stond en dat de stenen kerk van latere
tijd - loop 1 l e , wellicht 12 e eeuw - dateert.
BOUWER
Gelet op het aantal (pre-)romaanse kerken zou het aantal bouwheren en bouwers hoog moeten
zijn geweest. Niet ieder van hen - wellicht de meesten niet - heeft aanvankelijk de kennis
stenen kerken te bouwen. Deze context geeft reden tot de veronderstelling dat er contacten zijn
geweest tussen de verschillende bouwers van de eerste stenen kerken.
Tiemens vermoedt dat de Oosterbeekse kerk, die volgens hem omstreeks 945 wordt
opgeleverd, is gebouwd door monniken die ook de kerk in Werden/Ruhr, opgeleverd in 943,
hebben gerealiseerd 13 .
72
Dit veronderstelt een relatie tussen het bisdom van Utrecht en het Werdener klooster en die
is er ook geweest. Naast een historische band - Liudger is afkomstig van het Utrechtse St.
Martinus klooster en is de stichter van het klooster in Werden - zijn er praktische banden,
werkrelaties, geweest: Werden heeft tal van bezittingen op de Veluwe, welk gebied tot het
Utrechtse bisdom behoort.
Waarom zouden nu juist de bouwers van de Werdener kloosterkerk ook in Oosterbeek hebben
gewerkt? Een verklaring is dat de monniken van dit klooster, dat niet alleen bezittingen in
Elden, Ewijk en Andelst, maar 66k in Ermelo, Putten en Otterlo heeft - maar geen goederen in
Oosterbeek of Wolfheze - de Rijnovergang Driel/Oosterbeek gebruiken om van de Betuwse
naar de Veluwse bezittingen en vice versa te reizen.
Op het Veluwse traject passeren zij de nederzetting Wolfheze. Zij zouden hun recent in Werden
opgedane bouwervaring hebben kunnen aanbieden aan de bouwers van de Oosterbeekse en,
later wellicht, de Wolfhezer kerk.
Van de aanwijzingen die Tiemens geeft voor een mogelijke relatie tussen Werden en Oosterbeek
kunnen vele evenzeer worden gebruikt om een verband tussen Werden en Wolfheze resp.
Oosterbeek en Wolfheze te veronderstellen. Overigens is dat niet geheel onverwacht, zie
hiervoor.
GEBOUW
Het gebouw van de kerk kan worden opgevat als een uitbeelding van een niet zichtbare
werkelijkheid. Enkele notities 14 :
• Tal van andere middeleeuwse kerken, oost-west ge orient eerd. Deze orientatie wordt al in
de voorchristelijke tijd toegepast, b.v. bij hunebedden. Bij vroeg-middeleeuwse christenen
ontstaat de gewoonte om te bidden met het gezicht naar het oosten. In verband hiermee
worden de kerken met de lengteas oost-west gebouwd, het priesterkoor aan de oostzijde.
Welke symboliek hebben latere christenen er verder aan gegeven?
Gout zegt er het volgende over: de zon als brenger van het licht is met het goddelijke
vereenzelvigd en zijn baan tijdens de dag en in het jaar is onderwerp geworden van het
religieuze denken. Drie punten spelen een rol: opkomst, hoogste stand en ondergang en dat
vooral op hoogtijdagen. Op 21 maart en 21 September komt de zon precies in het oosten op,
maar deze dagen zijn nimmer bijzondere dagen geweest. De dagen 21 juni en 21 december
zijn wel belangrijk geweest want gewijd aan Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.
Soms hebben middeleeuwse kerken een afwijking in de lengteas van de kerk in het koor, die
zou verwijzen naar het feit dat Jezus zijn hoofd neigde toen hij aan het kruis stierf. De oost-
west orientatie is in de kerkbouw zo vorm gegeven dat de toren zich aan de westkant bevindt
en het koor, het hoofd van de kerk, aan de oostzijde. Ook aan de oostzijde, onder het koor,
bevindt zich de crypt. Het noorden symboliseert de streek van koude en nacht, het Oude
Verbond. Het zuiden is de streek van warmte en licht, het Nieuwe Verbond. Uit het oosten
komt de verlossing, de Verlosser. Het westen symboliseert de streek van de dood.
Of de Wolfhezer kerk ook oost-west staat is op dit moment niet geheel duidelijk. Groneman
suggereert dat wel, maar zegt het niet expliciet en doet dat wel als hij de ligging van
geraamteresten beschrijft. Het AAC zal hierover ongetwijfeld uitsluitsel geven.
73
Si'?'!;
HET KERKGEBOUW VOLGENS WITTEROOS/OLTMANS 1570/1922
De schets toont de zuidkant van de kerk. Deze tekening is welhaast zeker niet betrouwbaar.
De Proceskaart uit 1553 geeft een waarheidsgetrouw(er) beeld.
• Kerken worden vaak op een verhoging gebouwd 15 en dat verwijst naar de immateriele kerk,
gesticht op de rots van Petrus; het huis des Heren is gegrondvest op de kruin der bergen.
Verder herinnert "berg" aan Abraham's offer op Moria, de wetgeving op de Sinai', de tempel op
de berg Sion, Christus' verheerlijking op Thabor, zijn dood op Golgotha en zijn hemelvaart op
de Olijfberg. De verdwenen Wolfhezer kerk staat op een terp op de zuidhelling van de sandr en
is vanuit alle richtingen goed zichtbaar. Echter, zoals al opgemerkt zijn de hoogteverschillen
in het gebied rondom de kerk in de loop der eeuwen veranderd.
• De toren is zowel een verwijzing naar de prediking die naar de hemel verwijst als een
symbool van de kerk en Maria.
• De klok is een symbool van predikers die oproepen tot het geloof en wordt geluid om de
gelovigen naar de kerk te roepen voor eredienst en begrafenis en om naderend onheil af te
weren (ziekte, vijand, onweer hagelbuien, boze geesten).
• Het altaar is het symbool van Christus en overtreft al het overige in de kerk aan waardigheid
en verhevenheid. Altaar, klok en kerk worden gewijd door een wijbisschop.
Op basis van de studie van Groneman, de analyse daarvan door deze auteur in zijn orienterende
onderzoek van 2005 en vooruitlopend op de publikatie van de onderzoeksresultaten van het
AAC wordt hieronder een korte profielschets gegeven van het kerkgebouw:
• Een tufstenen, romaanse zaalkerk op een fundament van traskalk en veldkeien en met een
dak van leisteen. De zaal meet ca. 17x7,5 m, de toren ca. 5x4 m.
74
• Datering voorshands nog onbekend.
• De toren is misschien van latere datum dan de zaal. Maar zou dat niet het geval zijn dan
is het wat onrealistisch te veronderstellen dat de kerk omstreeks het jaar 1000 zou zijn
gebouwd. De hoeken van de toren zijn gebouwd op grote veldkeien, mogelijk offerstenen
uit voorchristelijke tijden.
• De kerk kan zijn gebouwd over een eerdere houten kapel en/of over een nog oudere heidense
cultusplek.
• De crypt is waarschijnlijk van latere datum dan de zaal.
• Er is geen verbreed en geen versmald koor geweest.
• De kerk, waarvan de lengteas misschien oost-west is gericht, staat op een - waarschijnlijk
natuurlijke - terp.
• De meest waarheidsgetrouwe afbeelding van de kerk voor een heel lange tijdsperiode -
waarschijnlijk vanaf de 15 e eeuw tot aan 1624 - is wel die van de Proceskaart uit 1553.
Hoofdindeling:
I. Westelijk jfeel
II. Zaal
Aftnetingen in meters:
A 5,04
F
7,56
B 4,1
G
17,2
C 1,17
H
1,35
D 16,8 (totale lengte)
I
3,7
E ca. 4 (verdwenen fundament)
? Stuk afg ;ndament?
Fundamentbreedte 0,95 k 1 meter
PLATTEGROND WOLFHEZER KERK
Getekend door de auteur op basis van de veldstudie van H.J.H. Groneman in 1893.
Tenslotte een vergelijking tussen deze kerk en die van Oosterbeek ten tijde van de
oplevering.
75
OOSTERBEEK
(Tiemens, ca. 1977)
WOLFHEZE
(Groneman, 1893)
Bouwtijd
10° eeuw
Meest waarschijnlijk tussen
918-975, wellichtna 943 (2)
ll e eeuw
Onbekend. (1)
Ligging
Nabij beek en rivier
Nabij rivierovergang
Nabij noordzuidweg
Nabij beek
Nabij beekvoorde
Nabij noordzuidweg
Waarschijnlijk aan de heerwech
Situering
Op heidens religieuze plaats (3)
??
Orientatie (4)
Oostnoordoost-westzuidwest (5)
Oost-west?
Plattegrond, afm. (6)
19x8 m
16,8x7,56 of 17,2x7,56 m (7)
Plattegrond, vorm
Rechthoekig
Drie halfronde nissen
Rechthoekig
Fundering
Veldkeien in leem
Veldkeien in traskalk (8)
Opbouw
Tufsteen (9) blokken 70x70x50 cm
waarop kleinere van 50x38 cm
Deels van in traskalk gegoten
veldkeien
Muren
??
Geen steunberen (10)
Vloer
Leem
?Zand?
Toren
Neen
?Neen?
Type kerk
Zaalkerk, pre-romaans
Zaalkerk, romaans
(1) Zie b.v. 3.3. (2) Romers stelt dat de kerk is gebouwd in de 2° helft van de 10° eeuw in de
preromaanse- of laatkarolingische tijd. Glazema dateert de kerk op het jaar 1000. Van de Bunt zegt
9" eeuw en Schuyf meent: zeker 10° eeuw. (3) Strategie van Paus Gregorius de Grote (540-604).
(4) Lengte-as. (5) Vele middeleeuwse kerken zijn oost-west georienteerd, maar de orientatie van de
Oosterbeekse kerk is niet uitzonderlijk. (6) Men meet in Rijnlandse Roeden (RR). 1 RR = 3,756 m
= 12 Rijnlandse voeten van 0,3 13 m; Romers stelt de buitenwerkse afmetingen van de Oosterbeekse
kerk op 1 8,25x8m, Demoed op 1 7x7 m (zonder toren). (7) Uitgangspunt is de notitie van Groneman
in zijn dagboek en aangenomen is dat de toren later is gebouwd dan de zaal. Het onderzoek van het
AAC zal hopelijk uitwijzen of deze aanname juist is. (8) Mengsel van njngemalen tufsteen, tras
en kalk, dat zeer hard wordt. (9) Poreuze, zachte, grijze natuursteen van vulkanische oorsprong.
Naarmate het langer buiten staat vormt zich een weerlaag waardoor het zich hardt. Aangetroffen
in het Duitse Eiffelgebergte. Veel gebruikt voor de bouw van romaanse kerken. Vervoer via Rijn
en Yssel naar Utrecht en Deventer en vandaar verder transport naar andere landsdelen. Sinds
halverwege de 13 c eeuw gaat men over op kloostermoppen, die alhier worden gebakken omdat het
vervoer van tufsteen te duur wordt. (10) Naar buiten uitspringende muurverzwaring, bedoeld om de
zijwaartse druk van de kapconstructie en/of de n.
Resten en vondsten
Wat is er gebeurd met de resten van het gebouw?
• In 1390/1 wordt de of een kerkklok door de stad Arnhem "afgewynd". Is hij wellicht
bestemd voor de nieuwe kerk der Kanunniken die daarvoor in 1391 van stadswege nog 52000
stenen hebben gekregen? Deze kerk, gebouwd tussen 1315 en 1400, is in 1315 door de RDO
opgegeven om er het vroegere kapittel van Tiel in te doen opnemen.
76
Een andere bestemmingsmogelijkheid is het klooster Mariendaal dat omstreeks 1392 wordt
gebouwd. De (mede) oprichter van dit klooster is Wynant van Arnhem van Rosande. Hij is
de grootvader van Elisabeth van Arnhem, die is gehuwd met Evert van Wilp, Evert I in dit
werk.
Verder is hij de vader van de Wynant die in 1390 burgermeester is van Arnhem en een
neef van de Wynant van Arnhem die dat in 1391 is (zie noot 4, hoofdstuk 7).
a *- \
n. , '
Betekenis cijfers:
1 = Fundament
3 = Vermeend poortgebouw
5 = Schaapskooi
7 = Greppel
Afstanden in meters:
Schaapskooi tot kerk ca. 35
A = 8
C=40
2 = Terphelling
4 = Heerwech
6 = Weg Kasteel Doorwerth-Station Wolfheze
B = ca. 12
D = ca. 35
De greppel is overal 7 m breed. De diepte is 1 m, gemeten vanafde toppen der beide zijden.
KERKRUINE EN OMGEVING IN 1893.
Getekend door de auteur op basis van de veldstudie van
H.J.H. Gronemaninl893.
Oltmans maakt melding van eene overlevering in 1893 medegedeeld door den heer Minkman
te Oosterbeek, dat een klok van Wolfhezen tot 1855 a 1860 dienst heeft gedaan bij het
Drielsche veer. In 1669 kocht de stad Arnhem het Drielsche veer van de kerk te
Oosterbeek u .
Mogelijk, maar waar - in Arnhem!? - is de klok geweest tussen 1391 en 1669? Groneman
meent dat de klok door de watersnood van 1855 is weggevoerd, later weer is gevonden en
opgehangen en vervolgens stukgeslagen. Hij doelt waarschijnlijk op de z.g. "waterramp" van
maart 1855. Die was echter ook een "ijsramp": zware ijsgang op de Rijn, kruiend ijs en
dijkdoorbraken 17 . De schilders J.N. Starckenborgh Stachouwer, E.P. van Bommel en W. Maris
schilderen medio 19 e eeuw een luidklok bij het veer Oosterbeek/Driel.
77
HET DRIELSE VEER MET LUIDKLOK VAN W. MARIS
• Schipper Melis Eibers (Jelis Aelbers?) krijgt op 9 oktober 1624 vergunning van de
Gedeputeerden van het Kwartier Veluwe om het gruys van de duyfsteen van de kercke tot
Wolfhesen af te voeren voor een bedrag van de tonne voer sesthien stuver, ieder tonne tegens
twee heringstonnen gerekent. Hij haalt er 60 "heringstonnen" vandaan, belopende acht en
veertich guldens. De transactie wordt ter plekke gecontroleerd door Jan Claecks. Daarna blijkt
dat, alhoewel velen tufsteen hebben weggehaald bij de kerkrui'ne, er toch nog wat over is, want
op 2 juni 1627 verkopen de Gedeputeerden van het Kwartier Veluwe alle resterende tufsteen
van de kerk voor de som van / 375 aan de stadsmetselaar Mr. Aert van Arnhem. Aert belooft
in deze transactie dat hij noch een teicken ende overblijffsel ter bequaemster plaetse sal staen
laten.
In 1618 probeert Ds. Heshusius van de Heelsumse kerk - de Hervorming heeft tegen het
einde van de 16 e eeuw zijn intrede op de Veluwe gedaan, maar de rooms katholiek gebleven
Heer van Doorwerth moet niets van deze nieuwlichterij hebben en werkt de Heelsumse kerk
op alle mogelijk manieren tegen - het Hof van Gelderland ertoe te bewegen dewiil die heere
van den Doorenwaert niet wil volgen laeten die thienden, die van outsheer tot die pastorye
gehoort hebben end van die pastooren dier plaetse by menschen memorie gebruyct siin, als
met naemen die thiend (volgt een opsomming van enkele enken) beneffens die thiend
van Wolffhesen (hoewel daeraen getwyfelt wort, off die heere van den Doorenwaert dienselven
der pastoorye tot Heelsom tot een supplement sonde toegeleyt hebben™.
• In 1628 - de Heelsumse kerk verkeert nog steeds in vervallen staat - doet de klassikale
vergadering van Overveluwe een verzoek aan de Gedeputeerden van het Kwartier om de
revenuen van de vercochte kercke van Wulfheese en het nog overgebleven hout ervan ter
beschikking te stellen van de Heelsumse kerk.
Het verzoek blijft zonder resultaat.
• Pas in de 1650-er jaren wordt enige vordering gemaakt met het herstel van de kerk. De
Heer van Doorwerth verleent medewerking door bouwmateriaal ter beschikking te stellen en
vervoersmogelijkheden. Omstreeks het midden van deze decade beloven de Gedeputeerde
78
Staten een bedrag van 400 gulden uit de opbrengst van de Wolfhezer kerk te voteren voor de
renovatie van de Heelsumse kerk. Volgens Van den Berg worden met dit geld de glazen van de
kerk (waarschijnlijk bedoelt hij de ramen) hersteld en wordt er een preekstoel voor gekocht
van de Lutherse gemeente in Arnhem 19 .
• De meeste veldkeien van het torenfundament zijn volgens Groneman gebruikt om een weg
te verharden. De grootste kei is in elk geval tot aan de zomer van 1904 onder den toren blijven
liggen.
• Groneman heeft de fundamenten weer met grond bedekt. De resten van mens en dier
zijn grotendeels weder aan den bodem die hen zoo lang dekte, met groote pieteit
toevertrouwd.
• Vermeldenswaard is nog de vondst - aan de oostzijde van en buiten de kerk - van een tufsteen
van 9x17 cm, op een zijvlak waarvan een ruw kruis is gebeiteld. De twee delen van het kruis
staan niet loodrecht op elkaar. De "beitelkunst" is rond het bouwjaar van de kerk al goed
ontwikkeld en staat op een veel hoger niveau dan dat waarvan dit kruis blijk geeft. In de loop der
eeuwen zijn tal van verschillende kruisen vervaardigd. Alhoewel een aantal naslagwerken over
kruissymbolen is geraadpleegd is niet een vorm gevonden die voldoet aan de "specificaties" van
het model dat Groneman beschrijft. In een brief dd. 7 maart 1894 van een onbekende schrijver
wordt aan Groneman gesuggereerd dat het tufsteenkruis een fragment was van het altaar. De
altaar altijd voorzien van 5 kruizen. De schrijver tekent 5 kruizen - met armen die elkaar
loodrecht middendoor delen - op de bovenzijde van een altaar.
Hoe dan ook, de conclusie moet luiden dat dit kruis door een amateur beeldhouwer moet zijn
gemaakt.
Groneman zegt dat de overige gevonden voorwerpen, m.u.v. enkele stenen van de grafkelder,
zijn overgedragen aan het museum in Arnhem. Latere onderzoekers hebben daarvan evenwel
niets aangetroffen. De conservator van het Historisch Museum in Arnhem deelt de auteur in
augustus 2002 mee dat de vondsten van Groneman bij zijn weten nimmer aan het museum zijn
overgedragen. Het Gelders Depot voor Bodemvondsten in Nijmegen en het Rijksmuseum van
Oudheden in Leiden hebben evenmin vondsten van Groneman.
KERKRUINE EN OMGEVING IN 2008
79
Vondsten door de auteur
Hieronder volgt een vermelding van twee oppervlaktevondsten aan de oostzijde van de kerk
en wel bij de meest oostelijke van de 2 sleuven die in 2002 zijn gegraven door het AAC:
> Een donker, beige gevlamd, vrijwel rond schijfje, 22 mm, dik 7 mm, van steen of glas.
Qua kleur, vorm en afmeting visueel identiek aan speelschijfjes van verschillende kleuren glas
uit de Romeinse tijd in Museum Het Valkhof Nijmegen, nr. 5 in vitrine Ambacht en Vertier,
november 2003.
> zes platte, donkere veldsteentjes, alle met twee natuurlijke aders, die elkaar zodanig kruisen
dat zij een vrijwel perfekt christelijk kruisteken vormt. Een ervan is gebroken, de overige
verkeren in hun natuurlijke, oorspronkelijke vorm. De auteur heeft voor en na deze vondst op
veel plaatsen in het gebied lopen speuren, veel geaderde natuurstenen gezien, weinig platte en
geaderde en, buiten deze vondst om, geen enkele met aders die het kruisteken vormen.
Wat is de funktie van deze stenen geweest? Zijn ze afkomstig van het koor of van het
kerkhof?
VELDSTENEN MET HET KRUISTEKEN EN EEN (ROMEINS?) SPEELSCHIJFJE
NOTEN HOOFDSTUK 3
1. Ongeveer daar waar in de 15" eeuw het Augustijner nonnenklooster staat.
2. Bijzonderheden omtrent de vroegste geschiedenis van de gemeenten Renkum en Oosterbeek.
3 . O.a. Oosterbeek 834; Seelbeek 893 ; Arnhem voor 893 .
4. J.C. Schmitt: Bijgeloof in de middeleeuwen. Uitg. Sun Nijmegen; ISBN 90-6168-445-5. J.
Schuyf: Heidens Nederland. Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden.
5. R. Borman. Archeologie in Gelderland. Uitg. Terra Zutphen, ISBN 90-6255-090-8, pag. 12.
6. Kwade mensen: Toverij in Nederland, W. Blecourt e.a. Uitg. P.J. Meertens Instituut van de
K.N.A.W. ISBN 90-70389-1 1-8.
7. De vroege christelijke kerkjes worden vaak op heidense graf- of cultusvelden gebouwd: Zeist,
Arnhem, Xanten, Zelhem, Drempt, Elden. De Elster kerk is gebouwd op Romeinse tempels.
8. De kerk ligt iets westelijk van Den Heijlgen berg, welke voorkomt op de kaart van Klinkenberg
uit het jaar 1756. Voor zover thans bekend wordt deze berg voor het eerst door Klinkenberg
genoemd. De herkomst van deze naam is onbekend en het jaar 1756 wel wat laat om hier
80
zonder enige aanleiding een prechristelijke cultusplek te vermoeden.
9. Bronnen: Heemkunde Kring Myerle: Mierlo, zijn oudste heren en hun familie (c. 1 100-1335)
door H. Vogels. ISBN 90-805381-1-6, 1999. De grensgebieden in het noordoosten van Brabant
ca. 1200-1795 van G.F. van der Ree-Scholtens. ISBN 90 232 2803 0. Assen/Maastricht, 1993.
Brabants Heem, 1955.
De hypothese wordt wellicht ondersteund door het volgende: "Heze"-namen zijn zeldzaam op
de Veluwe. Dat is vreemd omdat hees staat voor struikgewas, bomen, heide. Echter in Brabant,
vooral nabij Mierlo komen hees- en hezenamen met enige frequentie voor: Heesbeen, Holthees,
Heeswijk, Heesch, Maashees, Bernheeze, Heeze, Maarheeze, Milheeze. Ook wolf-namen
komen relatief laag frequent voor op de Veluwe, terwijl die in Brabant tamelijk frequent zijn
(geweest). In Brabants Heem 1955 worden er omstreeks 50 geteld. Wei staat deze hypothese
op gespannen voet met de aanname dat de naam Wolfheze uit voorchristelijke tijd kan dateren.
Hoe dan ook, een vergelijkend toponymisch onderzoek lijkt raadzaam.
10. O.a. Ellecom, Oosterbeek, Renkum, Arnhem, Rheden, Velp.
11. Zoals bij de scheepsbouw ook heel lang het geval is geweest.
12. In een brief van 2 oktober 1893 beargumenteert hij zijn conclusie a.v. ten eerste komt
Wolfheze in de oude charters niet voor, zelfs niet voor hetjaar 1200; ten tweede: de handel in
tufsteen voor de kerkgebouwen dateert voornamelijk van af de 11" eeuw; ten derde: de oudste
kapellen waren van hont opgetrokken.
13. Glazema meent dat de bouwmeester van de Oosterbeekse kerk zijn Werdener collega heeft
gekend of dezelfde is geweest.
14. M. Gout, Symboliek in kathedralenbouw, Uitg. Mirananda B.V. Den Haag, 2001; ISBN 90
6271 903.1. en J.J. Timmers: Christelijke Symboliek en Iconografie, 2° en 8 C druk.
15. O.a. Heelsum, Wijhe, Hoogkeppel, Barchem.
16. De koopovereenkomst dateert van 18 februari 1669 en omvat het veer, huis, hof en grond, alles
eigendom van de Oosterbeekse kerk. De koopsom bedraagt 4500 gulden, waarvan 1000 gulden
in geld wordt betaald, voor het restant geeft Arnhem een schuldbekentenis af.
17. Waarschijnlijk a.g.v het door J. van Doesburg e.a. in Het rivierengebied in de Middeleeuwen en
Vroegmoderne Tijd beschreven fenomeen: Het zomerbed van de rivier lag vol met zandbanken,
vanuit de oevers waren lange kribben aangelegd, en het oevergebied werd zo snel mogelijk
beplant om wegspoeling te voorkomen. Er bleef voor de rivier maar een smalle stroombaan
over. Het gevolg was dat het kruiende ijs na een vorstperiode niet meer werd afgevoerd, zodat
er ijsdammen konden ontstaan. Achter de ijsdammen werd het water opgestuwd, waardoor de
winterdijken overliepen of bezweken.
18. Het gevolg hiervan is een proces, dat uiteindelijk in 1635 tot een uitspraak ten voordele van de
Heelsumse predikant leidt.
19. J.M. van den Berg, Magnalia Dei, De geschiedenis van het kerkelijke Doorwerth-Heelsum.
81
82
4. OORSPRONG EN ONTWIKKELING
Over de oorsprong van de kerk en de ontwikkeling in de eerste eeuwen daarna is tot op heden
niets bekend. Een patrocinium is onbekend. Zoals vermeld zal het gebied waarin de kerk is
gebouwd omstreeks het jaar 1000 hebben behoord aan de Hamalanders.
Behoort de kerk tot een "oerparochie" 1 ? Is Arnhem wellicht een oerparochie geweest
voor de Veluwezoom? Of is hij ontstaan als dochterkerk van een bisschopskerk of van de
Oosterbeekse parochie? Dat laatste is mogelijk voor wat betreft de Voile Middeleeuwen - er
zijn geen bronnen voor aangetroffen - maar is vrijwel uitgesloten voor de Late Middeleeuwen.
De Oosterbeekse kerk heeft in de Middeleeuwen geen kapel elders op de Veluwe gehad 2 , er is
geen behoefte aan geweest omdat het dorp en zijn omgeving pas laat - in de Nieuwe Tijd - tot
ontwikkeling komen. Gewoonlijk wordt eerst de eigen, bestaande kerk vergroot voordat elders
een kapel wordt gebouwd en de eerste twee uitbreidingen van de Oosterbeekse kerk hebben
plaats in 12 e en 14 e eeuw.
DE OOSTERBEEKSE KERK IN 1750
Pentekening van W.H. Tiemens uit 1973 naar een tekening in Museum Boymans
vermoedelijk van Jan de Beyer.
De Wolfhezer kerk is een z.g. "eigenkerk" geweest 3 .
Eigenkerken worden veelal door leken - landheren - gebouwd, maar ook door kloosters en
bisschoppen. Deze kerken treden onafhankelijk van het bisdom op en komen vooral tot stand
op het platteland, op enige afstand van de steden. Op de Veluwe zijn er waarschijnlijk vrij veel
geweest.
In welk tijdvak is de kerk zo'n eigenkerk geweest?
Volgens Kuys is het eigenkerksysteem in het bisdom Utrecht tot in de 12 e eeuw overheersend
geweest, vrijwel exclusief zelfs. Statistisch bezien moet de Wolfhezer kerk toen dus
welhaast een eigenkerk zijn geweest. In de loop van de 13 e eeuw kan de kerk vervolgens een
"collatiekerk" zijn geworden 4 . Vanaf de 15 e eeuw tot aan de reformatie is de kerk in elk geval
een collatiekerk. Het is niet waarschijnlijk dat de kerk voor dit tijdvak een gei'ncorporeerde
kerk zou zijn geweest, - ingelijfd in een religieuze instelling als bisdom, klooster of kapittel
- omdat een dergelijke instelling een kerk niet snel zou vervreemden. In elk geval wordt
Wolfheze niet genoemd in een charter uit 1368 dat een overzicht geeft van het bisdom Utrecht
in 1278 5 .
83
Niet alle nieuwe kerken komen tot stand om aan de behoefte der christenen te voldoen, er
worden ook kerken gesticht met het oogmerk verdienstelijk werk te doen of om zielsrust te
"kopen" voor zichzelf of anderen. In wezen dus meer een uiting van "bijgeloof " dan van
christelijk geloof.
Tenslotte is er nog de mogelijkheid dat de kerk vanaf het begin een parochiekerk is geweest,
ontstaan in een ontginningsgebied dat als kerkelijk niemandsland direct onder het bisdom
ressorteert.
Maar is de Wolfhezer kerk de facto een parochiekerk geweest?
Dochterkerken, eigenkerken en kapellen kunnen zich tot parochiekerk ontwikkelen, alhoewel
er geen algemeen geldende kerkrechtelijke defmitie van het begrip "parochie" is.
Echter, de Wolfhezer kerk heeft een begrafenisrecht, er is een pastoor aangesteld en er is voor
hem een territoriaal omlijnd gebied, er is een tiend-inkomen en er is een koster 6 . Geen van
deze aspecten afzonderlijk genomen is een bewijs dat de kerk een parochiekerk is, maar het
geheel ervan is er wel een aanwijzing voor.
Een andere aanwijzing lijkt te zijn de ligging en de grootte van de parochie t.o.v. die van
de beide aanpalende kerspels, die van Oosterbeek en Renkum. Het feit dat er een kerkhof
is vormt geen aanwijzing dat de kerk een parochiekerk is, want kapellen kunnen ook een
kerkhof hebben. Maar is het gegeven dat er doden in de kerk zijn begraven indicatief voor een
kerspelkerk?
Tenslotte is daar het gegeven dat de Wolfhezer kerk als dochter heeft de parochiekerk van
Heteren, zie 6.4.
Kortom, op grond van kerkelijke bronnen is het welhaast zeker dat de kerk een parochiekerk
is geweest. Maar sinds wanneer is onbekend.
Andere bronnen en overwegingen bevestigen dat de kerk een kerspelkerk is geweest:
• Oltmans zegt dat in de IP eeuw een kerspel Wolfheze bestaat dat ligt tussen dat van
Renkum 7 en Oosterbeek 8 . Hij meent voorts dat in de 12 e of begin 13 e eeuw in het zuidelijke
deel van dit kerspel het kasteel Doorwerth is gevestigd en dat dus het Wolfhezer kerkgebied de
buurtschap Heelsum, de heerlijkheid Doorwerth en het gebied rondom de kerk omvat. Vaak is
de grens van een buurtschap dezelfde als die van een kerspel, maar het komt ook voor dat een
kerspel meerdere buurtschappen omvat. Demoed meent dat Wolfheze een kerspelkerk heeft
gehad en dat Heelsum tot het kerspel Wolfheze heeft behoord, maar hij geeft geen tijdvakken
• Een verdere aanwijzing dat de kerk een kerspelkerk is geweest komt uit het gegeven dat
de kerk in 1390 een toren heeft. Kremer, oudheidkundige van Arnhem, schrijft in 1893 aan
Groneman o.a. Dat de toren ten Westen der kerk stond wijst er dunkt mij op, dat het een
kerk was, geen kapel. Kapellen hadden in den regel, naar ik meen, geen afzonderlijk staande
torens In de Beschrijving van het Utrechtsche Bisdom wordt over Wolfheze nauwelijks
gesproken, alleen dit: Wolfhezen is eene parochie in de Velnwe, sijnde leenroerig onder
Doornewaert. Bijleveld, archivaris van provincie Gelderland, geeft Groneman een schetskaart
uit de eerste helft van de 17 e eeuw, waarop de kerk met toren voorkomt en de kapel van
Doorwerth met dakruiter. Groneman stelt heel algemeen dat kapellen gewoonlijk dakruiters
hebben gehad 9 .
• Uit Gelre's Register op de Leenakten Boeken Kwartier Arnhem blijkt dat in 1402 aan
Robbert Van Dorenweerd goederen worden beleend die deels in Wolfheze liggen: ...met
84
den bossche dat daerto hoort, gelegen in den kerspel van Wolffhezen ende van Oosterbeeck.
Hieruit valt niet te concluderen of er in dat jaar twee afzonderlijke kerspels of een kerspel
Oosterbeek/Wolfheze is geweest. Echter, in 1402 wordt Robbert ook beleend met Den hoffte
Zeelbeck met alien sijnen tobehoren, gerichte, thynse, thienden, mannen ende bosche en deze
belening wordt vermeld onder de kop Wolffhezen in hetzelfde register.
• Omdat de Oosterbeekse kerk in 1539 en 1548 pastoors heeft met andere namen dan hun
Wolfhezer collega's hebben en omdat pastoors een zielzorgmonopolie in hun parochies hebben,
wordt aangenomen dat er, althans in deze jaren, ook twee afzonderlijke parochies zijn.
• In een dokument uit 1461 dat in 6.5. verder wordt behandeld, blijkt dat de pastoor tot
Wolfhesen ende tot Helsom ook de diensten zal leiden in de kapel van Doorwerth.
En in dokumenten uit de 1470-er jaren, 1497 en 1501 over de belening van o. a. de Wolfhezer
kerk aan de familie Van Wilp, komt naar voren dat deze adellijke familie het recht heeft de
geestelijken te benoemen. Hieruit valt op te maken dat de kerk in deze periode niet een kapel
maar een parochiekerk is. Deze documenten komen gedetailleerd aan de orde in 6.1.
Er is dus voldoende reden om bewezen te achten dat de Wolfhezer kerk een parochiekerk is
geweest.
Maar het gebouw zou een kapel worden. Althans, het zou de kapelstatus krijgen want het is
onduidelijk of het ook als kapel is gebruikt of zelfs iiberhaupt nog is gebruikt in de 2 e helft
van de 1 6 e eeuw.
Op een kaart uit ca. 1550, waarop de kerkelijke indeling van o.a. de Veluwezoom is
ingetekend 10 wordt de Heelsumse kerk aangegeven als parochiekerk" en die van Wolfheze als
een kapel. Muller neemt op grond van de rekening van de bisschoppelijke vicaris over 1526
aan dat de parochiekerk te Wolfhezen en een te Heelsem staande kapel nog voor de hervorming
hun functies moeten verwisseld hebben, zooals zoo vaak voorkwam. De parochie heeft dan
vermoedelijk omvat de burgerlijke gemeente Doorwerth benevens de Bovenheide, die thans
(1921) burgerlijk en kerkelijk tot Oosterbeek behoort 12 .
Echter, rond 1550 lijkt de kwestie nog niet geheel uitgekristalliseerd.
In een rekening van den ontvanger van het cathedraticum (assum) van 1545, 1550, 1551
of 1555 wordt de parochie beschreven als Wolffhesen alias Helsen. - Wolffhesen, terwijl de
rekening van den bisschoppelijken vicaris van 1554/5 vermeldt: Item de collatione ecclesie
parrochialis de Helsem in Veluajure devoluto facta domino Carolo Scewickhoeven: Actum 14
Martii 42 st".
Waar Muller spreekt over de kapel te Heelsum, bedoelt hij de rond 1518 gebouwde kapel, nu
de N.H. kerk, in de noordwest hoek van de kruising A50/N225. Aanvankelijk heeft deze kerk
de status van een kapel. Dat blijkt b. v. uit een brief van Johan Van Wytenhorst uit 1556, waarin
o.a. staat ...dat die kerkckvan Heelsem noch in corten verleden jaeren een cappel geweest...
Dit klopt met het gegeven dat er aanvankelijk geen toren is. En zegt Van Wytenhorst vervolgens:
Daarna is deselve capelle in een parochiekerk erigiert worden
Uit mei 1559 dateert de bul super universas orbis ecclesias van Paus Paulus IV waarin een
lijst voorkomt van deplaatzen van bisdom Utrecht: En onder anderen hebben zy aan gemelde
kerke van Utregt, en aan den Aartsbisschop van Utregt die 'er dan weezen zal, voor haar
Bisdom toegewezen de volgende plaatzen, zoo als in ieder der voornoemde brieven, bewijs
stukken en geschriften breeder staat uytgedrukt.Er komen tientallen namen op voor, in onze
contreien o.a. Heteren, Oosterbeek, "Reikom", "Heelsom". Ook de naam "Woltheelsom"
komt er op voor en uit het verband is af te leiden dat hiermee Wolfheze wordt bedoeld 14 .
85
Omdat over plaatzen wordt gesproken en niet over kerken en/of kapellen is uit dit stuk niet af te
leiden of de Wolfhezer kerk is "gedegradeerd" tot een kapel van de Heelsumse parochiekerk.
Het gegeven dat (de kapel van) Doorwerth niet wordt genoemd behoeft niet te betekenen dat
die in 1559 niet meer zou bestaan. De opsomming van de plaatzen is niet compleet; in onze
contreien ontbreekt b.v. ook Driel.
Lensen en Beekman zeggen dat Heelsum en Wolfheze in 1561 tot een parochie worden
samengevoegd en dat Oosterbeek en Renkum dan elk een afzonderlijk parochie vormen 15 .
NOTEN HOOFDSTUK 4
1. D.w.z. ontstaan tijdens of kort na de kerstening.
2. Oosterbeek heeft gedurende zekere tijd tot aan ca. 1470 de buurtschap Driel in zijn parochie.
3. Het systeem van de "eigenkerk" bestaat al tijdens het pausschap van Gregorius de Grote en
is vanaf het jaar 700 vrijwel overal in gekerstend West Europa aanvaard. Officieel wordt het
systeem erkend in 826, tijdens het pausschap van Eugenius II; het zou ettelijke eeuwen in
zwang blijven. Iedereen kan een kerk bezitten: een klooster, een bisschop, prive personen, een
koning. De eigenaars kunnen hun kerken, die soms ver buiten hun domicilies liggen, kopen,
verkopen, ruilen, verbouwen en onder erfgenamen verdelen.
4. Het recht van de eigenkerkheren wordt in de 12 e en 13° eeuw op papier ingeperkt als het wordt
vervangen door het collatierecht dat de eigenkerkeigenaars o.a. het recht geeft kandidaat-
geestelijken bij de bisschop ter benoeming voor te dragen.
5. Kronyk van het Historisch Genootschap Utrecht, 1857, pag. 169 e.v.
6. Heeft de kerk een dooprecht gehad? Het is onbekend; niet iedere parochiekerk in het bisdom
Utrecht is een doopkerk. Wei blijkt uit het dokument uit 1461 dat in de Doorwerthse kapel geen
doop mag worden bediend.
7. A.B. de Jong concludeert in "Katholiek Renkum Heelsum door de eeuwen heen " dat omstreeks
het jaar 1000 het kerspel Renkum een feit is.
8. Oltmans suggereert dat de oude Oosterbeekse kerk in het l e kwart van de ll e eeuw een
parochiekerk is, Gelre's Bijdragen en Mededelingen, dl 28, 1925.
9. Met dakruiter kan een angelusklok worden bedoeld, maar ook een figuur van mens en/of dier.
10. Muller 1921/Michiels 1996.
11. Op een kaart uit 1556 van Jacob Van Deventer staat de Heelsumse kerk zonder toren.
12. Muller voegt er in een noot aan toe: Van derAa vergiste zich met te zeggen, dat Laag Wolfhezen
kerkelijk tot Oosterbeek behoort. Dit geldt van Hoog Wolfhezen, hetgeen zoowel geographisch
het eenig mogelijke is als volgens bericht van den predikant ook feitelijk het geval is. Maar
het is Muller die een vergissing maakt, zie het artikel Wolfheze wat zegt een naam?
Schoutambt en Heerlijkheid 3/2004.
13. Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, K. Heeringa.
14. Historie ofte Beschryving van 't Utrechtsche Bisdom. Uitg. Leiden, 1719.
15. De nieuwe bisdommen in de noordelijke Nederlanden door A.H.L. Lensen en A. A. Beekman,
Geschiedkundige atlas van Nederland. Uitg. M. Nijhoff, 1922.
86
5. GEBRUIK VAN KERK EN KERKHOF
Het kerkgebouw vervult een aantal functies, die hieronder kort worden beschreven.
Geloofscentrum
De kerkdiensten worden in het latijn gevoerd en de kerkgangers kunnen tijdens de dienst
rondlopen. Dopelingen komen de kerk binnen als heidenen aan de noordzijde, daar staat het
doopvont en worden zij gedoopt om de kerk als christenen aan de zuidzijde te verlaten. Doden
worden langs dezelfde weg de kerk in- en uitgebracht. Om de boze geesten af te weren wordt
de gewijde kerkklok geluid. De lezenaar of- vanaf de 15 e eeuw - de preekstoel staat gewoonlijk
tegen de zuidmuur opgesteld. Kerkbanken zijn er, althans aanvankelijk, niet geweest.
Marktplaats
Alhoewel in de kerk geen handel mag worden gedreven 1 zullen naar middeleeuwse gewoonte
kerk en kerkhof - gelegen aan een kruising van belangrijke internationale routes - toch ook als
markt zijn gebruikt. Het gevolg is dat gebouw en kerkhof tot een soort "hangplaats" verworden.
Dat gebeurt althans elders op de Veluwe en het brengt Veluwse pastoors er in 1560 toe aan
te dringen op de uitvaardiging van een plakkaat om een einde te maken aan het verkopen,
tappen, vretthen, suypen und verpachten, mil die clopperien, dat trommen und schieten onder
den dienst Gades in den kerken ind oick op den kerkhof. Maar, in 1594, na de reformatie
dus, is er nog weinig veranderd, want dominee Gerhard van Keppel uit Twello vraagt op een
classisvergadering in Wageningen: Dat alle ongestuymicheyt voer die predicatien soewel als
onder ofte nae der predicatien bij ende op den kerckhaven, vele meer averst in der kercken
verbaeden und gestillet werde.
Maar, niet alleen de normen en waarden van sommige parochianen zijn verloederd ook over
die van een deel der Gelderse geestelijkheid valt weinig goeds te melden. Er worden nogal
eens wandaden gepleegd, misdaden soms begaan door geestelijken in Veluwse parochies 2 .
Herberg
De kerk zal - naar de gewoonte toen - ook als slaapplaats voor de reizigers hebben gediend.
De loge's gaan zich nogal eens te buiten aan drank en seks en dat is de reden waarom de
kerkvergadering van Avignon in 1209 het overnachten in kerken verbiedt.
Vluchtplaats
De kerktorens, veelal voorzien van een zolder, doen vaak dienst als vlucht- en schuilplaats.
Het asielrecht geldt er niet. Misdadigers nemen nogal eens hun toevlucht tot de toren, omdat
de overheid ze er niet uit kan verwijderen zonder eerst de immuniteit van het kerkgebouw
te schenden. Immers, de toren is meestal alleen toegankelijk vanuit de kerkzaal. Dat laatste
is niet van toepassing op de kerk van Wolfheze, omdat de toren - althans rond 1553 - aan de
noordzijde een ingang heeft.
Vrijplaats
Het asielrecht geldt aanvankelijk alleen voor het kerkgebouw. Later omvat het (ook) het
kerkhof, waar een misdadiger gedurende een zekere periode asiel kan krijgen. Daartoe is het
kerkhof d.m.v. een omheining, wal of rooster van het kerkterrein afgezonderd.
Het is voorstelbaar dat de vrijplaats ten oosten van de kerk heeft gelegen, omdat Groneman
daar een begraafplaats aantreft. Anderzijds ligt deze plaats wel erg dicht bij het koor, het
liturgisch centrum. Ook het gegeven dat hier de terphelling ligt pleit wellicht tegen een
vrijplaats op deze plek. Om de laatste reden lijkt ook de zuidkant van de kerk niet geschikt om
als vrijplaats te dienen. Zou de terp ten noorden van kerk en droge greppel die funktie (66k)
hebben gehad?
87
Royaards 3 noemt naast kerk en kerkhof nog een andere vrijplaats: de montade, zijnde eene vrije
plaats, dertig schreden in 't rond der kerk, welke omtreh echter soms werd uitgebreid. Of er bij
de Wolfhezer kerk een dergelijke vrijplaats is geweest is onbekend maar niet waarschijnlijk.
De montade zou deels samenvallen met het kerkhof, zou de pastorie insluiten en zou over de
heerwech heen reiken.
Mededelingenbord
De kerk wordt ook gebruikt voor de afkondiging van nieuws. Aanvankelijk vooral op het gebied
van kerkelijke aangelegenheden - inclusief kerkelijke rechtspraak - later ook van officiele
mededelingen, kerkspraak genaamd. Het nieuws varieert van verkopingen van onroerend
goed en schouwen van landgoederen tot maatregelen van bestuur en opgelegde straffen. Zo
laat Karel van Gelder b.v. in de kerken aflezen dat een ieder die op de Veluwe patrijzen of
konijnen vangt, dit met leven of goed moet bekopen als hij wordt betrapt. Kerkspraak heeft
plaats voor de aanvang van de dienst 4 .
Kerkgraf en kerkhof
De begrafenis van doden in de levensgemeenschap komt voort uit voorchristelijke gebruiken.
De Germaanse cultuur heeft geen fobie voor de dood. Men wordt in zijn leven veel met ziekte
geconfronteerd, wordt niet oud (ca. 35 jaar) en heeft een realistische kijk op de dood. De
nabijheid van voorouders wordt belangrijk geacht en de doden worden in het dorp, in de
levensgemeenschap begraven.
De Frankische vorst Pepijn III bepaalt omstreeks 75 1 dat overledenen bij en in de kerk moeten
worden begraven. Een kerkgraf is duur en het zijn gewoonlijk de geestelijkheid en de adel
die in de kerk worden begraven en dan zo dicht mogelijk bij de heiligste plek: onder het koor
waar het altaar staat, omdat men gelooft meer deel te hebben aan de "Heilige Kracht" als men
dichter bij het altaar ligt.
De begrafenis gaat gewoonlijk gepaard met veel drank (uitvaert - zuipvaert) en dat is na de
reformatie niet snel veranderd.
Onbekend is wie in de kerk zijn begraven, maar het is redelijk te veronderstellen dat de laatste
Evert Van Wilp hier ligt. Weliswaar zijn daarvoor uit Groneman's onderzoek geen aanwijzingen
te halen, daar staat het volgende tegenover:
De familie Van Wilp heeft vanaf 1437 tot in februari 1501 leenrechten gehad op de kerk.
Onduidelijk is nog of die ononderbroken hebben gegolden en of de familie deze rechten ook
voor 1437 heeft gehad. De laatste Evert Van Wilp heeft waarschijnlijk vanaf ca. 1460, maar
in elk geval vanaf 1465 tot in het begin van 1501 rechten op de kerk gehad. Deze Evert heeft
gedurende tientallen jaren zijn rechten op de kerk binnen zijn familie moeten verdedigen en
geldend weten te houden 5 . Hij woont op kasteel Rosande, is vrijgezel en heeft een schapenfarm
in Wolfheze.
De man "heeft iets" met Wolfheze. Wellicht is hij degene die de crypt heeft laten bouwen.
Daarvoor is waarschijnlijk Bentheimer zandsteen gebruikt, die vanaf ca. 1450 in zwang raakt.
Niet onmogelijk is hij ook degene die de landweer bij het Stratius Rondeel en het Rondeel zelf
heeft aangelegd.
Ongetwijfeld hebben in de kerk rouwborden gehangen, ook memorieborden genoemd of
wapenborden als het wapen van de overledene is afgebeeld.
Boeren en burgers worden buiten de kerk begraven. Hoe dichter bij het gebouw hoe
belangrijker de overledene in zijn/haar leven is geweest. In Wolfheze vindt Groneman alleen
geraamteresten aan de oostzijde van de kerk, dichtbij het koor. Het kerkhof is gewijd gebied,
waar alleen gelovigen en gedoopten kunnen worden begraven.
Groneman meent dat het kerkhof overvuld is en baseert dat op het feit dat de geraamteresten
slechts een handbreed onder het oppervlak liggen. Dit veronderstelt dat de doden op elkaar
- a.h.w. in lagen - zouden zijn begraven, maar hij vermeldt niet of hij dat ook feitelijk heeft
vastgesteld. De vraag is of "gelaagd begraven" in de Voile en Late Middeleeuwen door de
kerk wordt geaccepteerd. In Batavia Sacra of Kerrelyke Historie wordt vermeld: Eenige
ordonantien van den H. Bonifacius: Het is niet geoorlofd den eenen dooden boven op den
anderen te begraben.
Niet-gelovigen en ongedoopten worden in ongewijde grond - gewoonlijk ten noorden van de
kerk - begraven. Groneman heeft er in 1 893 geen onderzoek naar gedaan.
Leken worden begraven met de voeten oostwaarts, priesters precies andersom. De reden voor
dit laatste is dat zij op de dag van de wederopstanding alleen maar behoeven op te staan om
oog in oog te staan met hun mede-opgestane parochianen.
Groneman maakt geen melding van een skelet met de voeten oostwaarts.
NOTEN HOOFDSTUK 5
1. Nolet en Boeren, Kerkelijke Instellingen in de Middeleeuwen. Amsterdam, 1951.
2. Bijdrage van A. Zijd, getiteld De kerkelijke toestanden in De strijd tusschen de staten van
Gelderland en het hof 1543 - 1566, pag. 64 e.v.
3. H.J. Royaards: Geschiedenis van het gevestigde Christendom en de Christelijke kerk in
Nederland gedurende de Middeleeuwen. Utrecht, 1849.
4. Wordt nieuws buiten de kerk aan de bevolking gecommuniceerd, b.v. op het dorpsplein of voor
het raadhuis, dan spreekt men van buurspraak.
5. Er zijn enkele aanwijzingen dat Evert zelf de oorzaak van de familievetes is geweest in die
zin dat hij niet tijdig of onvolledig aan zijn leenverplichtingen heeft voldaan resp. de leenheer
onwelgevallige aktiviteiten heeft ontplooid.
89
90
6. ORGANISATIE EN BEHEER VAN DE KERK
6.1 LEENHEER, LEENMANNEN
Op zeker moment voor 1413 heeft de burggraaf van Montfoort de eigendom van de kerk en de
omliggende gronden verworven en het goed beleend aan huis Van Wijhe.
• In 1413 behoort de hof tot de bezittingen van Jan Van Wijhe Walravensz.
• Tussen 1413 en 1437 moet dit bezit zijn overgedragen aan Herman Van Wijhe.
Mogelijk is dit geschied omstreeks 1420, in welk jaar Jan overlijdt. Jan is gehuwd met El. Van
Meekeren, erfdochter van Hernen. Het echtpaar heeft twee dochters en hierin ligt wellicht de
reden dat Jan het goed Wolfheze overdraagt aan Herman Van Wijhe.
Het is onduidelijk om welke Herman het hier gaat 1 . Er zijn twee "kandidaten": a) Herman I,
de broer van Walraven (dus de oom van Jan Van Wijhe Walravensz.) of Herman II, de zoon
van Herman I (de neef van Jan Van Wijhe Walravensz.). De levensdata van beide Hermannen
zijn onbekend.
Herman I is de Herman Van Wijhe die eerder in de 1430-er jaren problemen heeft met de
burggraaf van Montfoort en is dezelfde Herman die in 1432 mit alsulken gueden as Johan sijn
vader van m.h. to lene gehalden hadde en in 1461 kasteel Hernen in bezit neemt as Johan sijn
vader, van m.h. to lene gehalden hadde 1 .
Maar er kan nog een andere Herman Van Wijhe zijn; de stamboom is incompleet.
De relatie tussen Johan II burggraaf van Montfoort en Herman Van Wijhe raakt verstoord
doordat laatstgenoemde een verplichting aan de burggraaf ter zake van de hofstat van
Montfoird niet is nagekomen. De burggraaf eist dat Herman ontzet wordt van de leenweer.
Op 18 maart 1432 doen zeven leenmannen van Johan uitspraak op deze eis en bepalen - bij
verstek van Herman - dat de burggraaf het goed in kwestie in voile eigendom kan terugnemen,
tenzij Herman zich binnen een jaar en zes weken ter verdediging zal aanmelden.
• Op 26 maart 1437 des Dinxdages na den heyligen Palmdage, doet Herman Van Wijhe - door
Fruin nader aangeduid als heer tot Herven - het verzoek aan burggraaf Johan Van Montfoort
om de goederen van Wolffhesen, leenroerig aan de heerlijkheid Montfoirt te belenen aan
Evert Van Wilp (Evert I). Om welke reden precies Van Wilp als leenman wordt voorgesteld
is onbekend, maar het gegeven dat zijn moeder een Van Wijhe is heeft er wellicht mee te
maken 3 .
De voorgenomen transactie van 1437 tussen Herman Van Wijhe en Evert I stuit op weerstand van
Reinald Van Homoet, heer van Doorwerth, die beboste gronden bezit in kerspel Wolfheze 4 .
Het geschil wordt in der minne geschikt: Reinald doet afstand van zijn vermeende rechten en
geeft daardoor aan Van Wijhe de gelegenheid het goed, het is dan nog 1437, aan Evert I over
te dragen 5 .
• Evert I geeft in 1450 hof Wolfheze in lijftocht aan zijn vrouw Elisabeth Van Arnhem; hij
overlijdt in 1460.
• Anno 1465. Evert II - zoon van Evert I - heeft leenrechten op het goed Wolfheze en de
kerkgift van Wolfheze en Heteren.
Met de giften van de kerk wordt bedoeld het collatierecht: het recht om de kandidaat-
geestelijke ter benoeming door de bisschop of diens plaatsvervanger (b.v. de aartsdiaken)
voor te dragen.
Daarna is hij het leen in elk geval een maal kwijt geraakt. In 1472 of 1477 heeft de RDO de
hof in bezit.
91
• Anno 1472 of 1477: Duitse Orde leent "hofftot Wolfhesen aan Evert van Wylp ritter, te
weeten een tiend in de Doorweerth, de giften van de kerk te Wolfheesen en Heteren met sijnen
toebehoren en een hoeve ruig land (sic) in het kerspel te Wilp.
Vermoedelijk herkrijgt Evert het collatierecht niet in 1472 maar in 1477. In paragraaf 6.4.
blijkt dat Willem Van Egmond in 1476 het collatierecht heeft van de Heterense kerk.
• Anno 1492: Reyner Van der Wey, heer tot Hernen. Genoemd wordt de hofftot Wolfheesen.
Waarschijnlijk een telg uit de tak van Dirk Van Wijhe, zoon van Herman I. Hij wordt in
1492 beleend met het huis en de heerlijkheid van Hernen en is de laatste Van Wijhe die hof
Wolfheze in bezit heeft gehad.
Vermoedelijk heeft Evert niet aan zijn leenverplichtingen voldaan, zoals dat ook kan zijn gebeurd
met betrekking tot zijn verplichtingen aan St. Pieter. Zoals in hoofdstuk 7 (noot 2) nog aan de orde
zal komen heeft dit kapittel het halve veer aan de Praats weer in voile eigendom teruggenomen.
• Onenigheid tussen Evert II en het echtpaar Van Middachten- Van Wilp over de eigendommen
en bezittingen van Evert leidt op 20 december 1497 tot een Uitspraak tusschen Arend van
Middachten, ridder, en Bella van Wilp zijne huisvrouw, ter eener, en Evert van Wilp, ridder,
ter andere zijde, in de geschillen over de uitvoering der huwelijksvoorwaarden 6 van de
eerstgenoemden gerezen, houdende onder anderen, dat Evert van Wilp afstand zou doen van
het erfWulfhesen, behoudens de kerkgift aldaar en te Heteren 1 .
Meer details blijken uit een dokument uit het Archief van de voormalige rekenkamer van
Gelderland, afdeling Batenburg 8 dat melding maakt van een magescheid op Sint Thomas avont
Apostel (20 December 1497) tusschen Heer Arent van Middachten Ritter, en diens echtgenoot
Belye van Wilp aan de eene zijde en heer Evert van Wilp Ridder ter andere zijde, waarbij is
bededingt, dat Heren Evert van Wilp, Ritter, vorschr. voir on ind voir sijnen erven van stont an
avergeven ind opdraigen sail Heren Arent, Ritter, ind vrouw Belyen vurschr: ende oire erven
Wulfhesen mit sijnen getimmere ind alinge toebehoir ind dat te leenrecht ende lantrecht, hand
ind mondt dar te doen, as sich dat behoirt ind mit enen trop schapen der Heren Evert ende
den bouman te samen hebben op ten vurs. erve ind alle voer kommer dair van af te doen,
beheltlicken Heren Evert vursr. die gijfte van der kercken te Wulfhesen ende to Heteren
Kortom: Evert II draagt per direct het Wolfhezer bezit, inclusief personeel en schapen, over
aan Arent en Belya, maar behoudt de giften van de kerken van Wolfheze en Heteren.
• Anno 1499: Evert Van Wilp ritter en Belya Van Middachten.
Maar spoedig na de overeenkomst van december 1497 zal Evert ook de kerkgiften van
Wolfheze en Heteren kwijtraken. Dat blijkt uit de hierna te behandelen belening van het goed
aandeRDOinl501.
• 18 februari 1501: Johan heer van Montfoort beleent Steven Van Zuylen Van Nyevelt, bij
opdracht van Belie Van Wilp, weduwe van den ridder Arend Van Middachten, met het goed
geheyten Wolfhesen mit zijnen getimmer ende toebehoiren , te weeten enen thiende jinden
Doernweert mit zijnen toebehoiren, die ghifte van twee kercken, te weeten Wolfhesen ende
Heteren, oick mit alien hueren toebehoiren ende dair toe die halve ruge hove lants, gelegen
jnden Wilp. Uit dit stuk blijkt dat Steven Van Zuylen 9 de belening niet als prive persoon in
bezit krijgt, maar tot behoeff vander balyen. Het betreft hier een onversterfflicken eifleen en
zal bij Steven's dood overgaan op zijn opvolgers als landcommandeur van de RDO.
92
In de belening wordt gesproken van een halve ruge hove lants, gelegen jnden kerspell van
Wilp. Het gaat hier om hoeve in de zin van een oppervlaktemaat: een hoeve land komt overeen
met 16,5 morgen land of ruim 14 ha. Zo wordt ook de tweede naamval's s aan het eind van lant
verklaarbaar: een "hoeveelheid" land dat "ruig" is met een oppervlak van ca. 14 ha.
• Eveneens in februari 1501 is er een lijfrentebrief, groot 17 malder winterrogge, uit de Hof
te Dieren door Steven Van Zuylen als landcommandeur der Balije gevestigd op Beelie Van
Wilp, weduwe van Arnt Van Middachten, wegens overdracht door de laatste aan de eerste van
de leengoederen te Wolfheze.
Demoed meent dat Steven Van Zuylen het goed in erfpacht heeft uitgegeven, maar dat berust
op een vergissing. De akte van 1501 laat zien dat Johan Van Montfoort het goed steeds beleent
aan de landcommandeurs, optredend voor en namens de RDO. Steven behoudt het goed tot
1527. In dit jaar wordt hij vermoord op zijn huis in Maarssen.
De landcommandeurs vanaf 1527 tot aan 1624 zijn:
• Wolter Van Amstel Van Minden in 1529. Anno 1532 krijgt hij het goed dat voertijt heer
Evert van Wilp te houden placht. Hij overlijdt in 1536.
• Anno 1537: Aelbert Van Egmondt Van Merestein krijgt het in leen. Hij overlijdt in 1560.
Blijkens een oorkonde van Johan Stratius van 18 augustus 1545 verkrijgt hij in erfpacht het
goedt mit alien sinen toebehoren gelijk zij tselve vanden huys van Montfoort. . . .
Er wordt een regeling getroffen voor de betalingen inzake de pachtsommen inclusief
de onbetaalde pachtgelden. Opvallend is dat er geen melding wordt gemaakt van de kerk
te Wolfheze, noch van kerkgiften of collatierechten. Ook de kerk van Heteren wordt niet
genoemd. Opvallend is ook dat het zegel van Stratius wel erg afwijkt van zijn schild.
• Franciscus Vander Loe 1560-1579.
Blijkens een charter uit 1560 treden Peter Van Straten en M. Perez op als mombers van
Anthonis Stratius, zoon van Johan terzake van de erfpacht van het goed Wolfheze.
• Jacob Taets Van Amerongen 1579-1612.
• Dirck de Blois Van Treslong 1612-1619.
• Jasper Van Lijnden , Heer tot Mussenberg 1619-1 620.
• Hendrik Casimir, Graaf Van Nassau-Dietz 1620-1640.
Tijdens zijn bewind verlaat de RDO de katholieke leer om tot de gereformeerde toe te
treden.
Pas in het laatste kwart van de 1 T eeuw verleent de RDO landcommandeur het huis Doorwerth
erfpachtrechten op dat goedt geheeten Wolfheesen. Wegens (vermeend) versuym verliest het
huis die ook weer. Het gevolg is een langdurige, ingewikkelde affaire tussen Doorwerth en de
RDO die pas in de eerste helft van de 18 e eeuw ten einde wordt gebracht.
93
i^> n J i <l |fri°W*'-CA F*. i— *Ji *£■ ii'-n'--i| J i ' i. iii.. kj
ihj
1 1 ^ p.-fT^-" FT— V^V. ■
^'A*'--
|>J, ■>■*'*?, >^>^_.--. , "lA- ■■•■■•■* ' ■ >4r''■■!■';' ,, ■"' ,
.-U-.J" +r. ■■ --i\-S 1 ,j, k .tl > Ij-ii'y.V.;. I.,--,- m'v^f
J,ujBnit>* Wl y^.'. Sy, ■ ■■■f w , J
"■■■.■■
'■r. *■?% i. "^ -A
"~-T Alf^ ■.i,-.f F ..„Ti-,L-. lj L.k.-.'jW*" -Wkfl
'T.V1 ■ 1 1 fm ■■ } fPJ y-, li n l *"■
'''>^k i-.i>^ii..— .■.'.•»j~r^i l i . 4.* -.l/'^-t i^JS,
^^.'^'^"ur" 3 ^ 5^ "-^" ^-
,.-,.-n r V-.v T .ij **,, .« _J ^^Jjiy^ J. _. J. J,,». I' -w
t ■>!>■. ■-■■J-rn in 1 J ^— ^,1™ ^_ ^ j. ^ B> ._?j.
k i
i ■
— -
it. .lp.,,;
CHARTERS BETREFFENDE
DE VERPACHTING VAN HOF
WOLFHEZE AAN JOHAN
STRATIUS EN ZIJN ZOON
ANTHONIS IN 1545 EN 1560
Bron: RDO Utrecht. Charters
877-01 en 877-02.
94
6.2. KERKFUNCTIONARISSEN
PASTOORS
Aanvankelijk hebben de Wolfhezer pastoors te maken met een dunbevolkte parochie.
Naarmate de tijd vordert groeit niet alleen het aantal parochianen, maar wordt ook de
samenstelling van de bevolking anders. Kasteel Doorwerth breidt zich uit in het zuidelijk deel
van het kerspel en trekt steeds meer bedienden aan, die in of nabij het slot worden gehuisvest.
De vestiging van het wildforstergoed brengt met zich de komst van het geslacht Van Lawijck
naar de nederzetting, als ook knechten en bedienden.
De opeenvolgende pastoors hebben bepaald diplomatieke vaardigheden nodig gehad. Immers,
zij worden benoemd door het bisdom op voordracht van de leenmannen van de kerk die alien
hun domicilie elders hebben, maar hebben in hun dagelijkse praktijk niet alleen te maken met
de "gewone" parochianen maar ook met huis Doorwerth en de Van Lawijcks. En er bestaan niet
altijd goede relaties tussen al deze betrokkenen. Voorts is daar het gegeven dat pastoors van
Wolfheze in de 15 e en 16 c eeuw tevens optreden als kapelaan in de kapellen van heerlijkheid
Doorwerth te Doorwerth en Heelsum.
In Wolfheze zullen aspirant pastoors aanvankelijk door de kerkeigenaars aan het bisdom
zijn voorgedragen. Later worden zij door de eigenaars van het collatierecht ter benoeming
voorgedragen aan bisschop of aartsdiaken 10 .
Over de Wolfhezer pastoors tot aan het midden van de 15 e eeuw is thans niets bekend.
Het is niet bij voorbaat uitgesloten dat de kerk onder een privilege een verbinding met
een klooster heeft gehad, waarbij de monniken de kerk hebben bediend. De monniken van
Mariendaal hebben deze rol kunnen vervullen. Zij mogen vanaf 1413 de mis opdragen, een
altaar meevoeren, de biecht afnemen, huwelijken sluiten etc. Het klooster ligt dicht bij de
heerwech die ook langs de Wolfhezer kerk voert. Ook is het mogelijk dat de RDO de kerk met
eigen priester-broeders bedient". De geestelijken zouden in geestelijke zaken aan de bisschop
rapporteren en in andere zaken aan de commandeur 12 . Maar tot nu toe is er geen zekerheid dat
de orde deze rol ook werkelijk heeft vervuld.
• De eerstbekende pastoor is Willem Ingenieuwland (Ingenueyland, Ingenylant, Ingenuulant,
Niewelandt, Nywelant, Niewelandt). Hij is een telg van het geslacht dat het goed Nulandt in
de buurtschap Lienden onder Elst bezit.
De man is niet van onbesproken gedrag: hij wordt er van beschuldigd als ordebroeder van de
RDO en samenwerkend met zijn broer Goderd de RDO commandeur van Schoonhoven uit
huis en kerk te hebben verdreven en de renten en goederen van de commanderij te hebben
ingenomen. De kwestie wordt in der minne geschikt door tussenkomst van de bisschop van
Utrecht en de hertog van Gelre.
Willem is in de herfst van 1454 betrokken bij de aanslag op de landcommandeur die op weg is
van Rhenen naar het slot ter Horst en hij zit op dat slot drie maanden in voorarrest. Hij wordt
tot levenslang en het verlies van het kruis van de orde veroordeeld en wordt gevangen gezet
op het Daitsche Huis te Utrecht. Op 25 januari 1455 wordt hij bevrijd. Enkele maanden daarna
wordt hij op omstreden wijze tot landcommandeur gekozen. Willem heeft zich in de RDO veel
vijanden gemaakt, onder wie de Duitsmeester van de orde. Deze bepaalt dat hij afstand moet
doen van het landcommandeurschap, staat hem toe op het RDO huis te Doesburg te verblijven
en geeft hem een jaarlijkse uitkering. Willem belooft al zijn bezittingen te zullen afstaan aan
de Balije van Utrecht en gaat voor 125 rijnsche guldens als commandeur naar Rhenen. Op
19-12-1460 verklaart bisschop David Van Bourgondie alle door Willem uitgegeven pachten
van nul en gener waarde. Willem heeft omstreeks 1452 relaties met leden van het huis Van
Lawijck.
95
Hij wordt tussen 22 maart 1461 en het einde van dat jaar benoemd tot pastoor te Wolfheze en
Heelsum, waarschijnlijk op voordracht van Evert Van Wilp, heer van Rosande en zijn buurman,
Johan Van Hemert van huis Doorwerth. In een akte uit 1 46 1 verklaart laatstgenoemde schuldig
te zijn aan Willem in den Nywelant, pastoor te Wolfheze en Heelsum een oud frans schild
's jaars voor de smalle tiend van de kerk van Wolfheze en Heelsum. De Oude Geldersche
Riddercedul 1468 vermeldt - onder de plaatsnaam Driel - Willem en Gaert Ingen Nuwelandt
als behorende tot die Ritter en Knegten der landen van Gelre 13 .
Willem overlijdt in 1473.
• Gysbert van Lynden is pastoor te Helzem voor 1 50 1 l4 . Wordt in 1461 nog gesproken van de
pastoor van Wolfheze en Heelsum, iets later in de tijd treedt Heelsum op de voorgrond in de
benaming van de parochie. De kapel te Heelsum moet dan nog worden gebouwd.
• In 1 5 1 7 wordt Willem van den Kerckhoff pastoor genoemd van Heelsum en Wolfheze en
in 1519 pastoor te Heelsum. De omkering in de volgorde waarin de plaatsen worden genoemd
is wellicht een aanwijzing voor de "verplaatsing" van de parochiekerk van Wolfheze naar
Heelsum en is in elk geval indicatief voor het afnemende belang van de kerk van Wolfheze.
Volgens Oltmans is van den Kerckhoff aldaar pastoor geweest van 1517 tot aan zijn dood in
1539. Gedurende een zekere periode tot aan zijn overlijden is hij tevens vicaris van het altaar
van St. Petrus of Petrus en Paulus van de parochiekerk in Oosterbeek.
Demoed's visie op de loopbaan van van den Kerckhoff wijkt af van die van Oltmans, maar hij
is niet consistent. Op pag. 128 zegt hij dat van den Kerckhoff in 1517 en 1519 pastoor is te
Heelsum en dat tot 1539bleef, op pag. 263 zegt hij: Tot die tijd (1535, W) was Willem Kerkhoff,
voorheen pastoor van de kerken te Wolfheze en Heelsum (onderstreping door de auteur) en
toendertijd te Nijmegen, vicaris (van het altaar van St. Petrus en Paulus, Oosterbeek). Van den
Berg meent dat Willem van Kerckhoff van 1517 tot 1539 pastoor is geweest van Helsum tot
Wolfhesen. Er zijn ook bronnen die menen dat van Kerckhoff in 1535 van het pastoorschap is
ontheven en dan naar Nijmegen gaat resp. dat hij in 1539 als pastoor aftreedt.
• Gerardus Rottum (Rotten, Rossen) pastoor in Heelsum en Wolfheze in 1548.
• Carel van Schevichaven (Carolo Scewickhoeven) van 1554 of eerder tot 1556 of later. Is hij
familie van Joachim Van Schevichaven, prior van Mariendaal van 1560-1563?
• Johan Rutgerss. in elk geval van 1554 tot in 1556. Hij is een beschermeling van de heer
van Doorwerth, die hem a.h.w. in de kerk van Heelsum parachuteert, terwijl daar Carel
Van Schevichaven, aangesteld door de bisschop van Utrecht, als priester werkzaam is. Het
daaruit voortvloeiende geschil wordt in 1556 voorgelegd aan het Hof van Gelre dat de zaak
doorschuift naar Johan Van Wytenhorst, voogd der unmundige kinderen van den Doorweerdt.
Deze antwoordt dat het huis Doorwerth veel steun heeft verleend aan de Heelsumse kerk o.a.
door tot 3 maal toe als de kerk een pastoorsvacature heeft, een priester van de Doorwerthse
kapel ter beschikking te stellen en dat hij hoopt dat Rutgerss. in de kerk kan aanblijven 15 . De
afloop van het geschil is onbekend.
• Oostveen noemt vervolgens Carolus Fremikhoeven als pastoor in Heelsum en Wolfheze in
1555. Hij bedoelt waarschijnlijk Carolus Scewickhoeven, zie hiervoor.
• Bekend is nog pastoor Arnt Hendriks. Hij heeft de steun van de katholiek gebleven heer
van Doorwerth en wordt volgens Van den Berg in 1600 genoemd als pastoor van Heelsum. Hij
mag op het kasteel wonen, geeft onderwijs aan kinderen en blijft in functie tot aan zijn dood
in 1606.
96
Tot slot nog enkele opmerkingen over de pastoorsvacatures en hoe die zijn vervuld. Er zijn
(vanaf 1519?) tot in 1556 in elk geval drie vacatures geweest in Heelsum. Deze worden
vervuld door de kapelaan van Doorwerth, d.w.z. door de priester van de grootste woonkern
in de parochie.
Dat werpt de vraag op of er in het gegeven tijdvak in Wolfheze geen kapelaan beschikbaar is
geweest.
KOSTERS
Bekend is dat de kerk omstreeks 1505 een koster heeft, Robert genaamd. Na de aanval van
de Galioten in 1505 vertrekt hij naar Oosterbeek. De koster heeft een klerikale status en
wordt aanvankelijk door de pastoor, later door de collator, ter benoeming voorgedragen. Het
is zijn taak de klok te luiden en te zorgen voor inventaris, liturgisch vaatwerk, gewaden en
relikwieen.
6.3. VERMOGEN EN INKOMEN
De kerk heeft een vermogen waaruit - samen met de opbrengsten van dat vermogen - de
exploitatie van gebouw en inventaris wordt betaald. De exacte samenstelling ervan is
onbekend, maar heeft in elk geval omvat een smalle tiend 16 rond 1461, een tiendrecht in de
Doorwerth rond 1501 en een tiendinkomen in het jaar 1618.
Uit een akte van 17 april 1645 blijkt dat in Heteren een vicarie tot Wolffheese was gevestigd 17 .
De tekst luidt: Een parceel bouwlandts, groot omtrent vierdenhalven mergen, genant de
nieuwe graeff, tot Heteren in den ample van Overbetuwen gelegen, daer oostwartt de pastorie
van Heteren naest gelant is ende de vicarie tot Wolffheese, zuytwartt st. Agneten clooster tot
Arnhem, westwartt hetselve clooster ende Willem van Settens erffgenamen, ende noortwart
Jan Jacobs erff; nevens noch een hoffstedeken landt mettet bepaet daerop staende, ooc tot
Heteren an den dick in sijnne bepalunge gelegen, ten Zutphensen rechten tot een besonder
leen ontfangen bij
Hiermee wordt ene N. van de Wartt op de genoemde datum beleend.
Onbekend is hoe precies de Wolfhezer pastoors aan de kost zijn gekomen.
Tot hun inkomsten hebben ongetwijfeld behoord de vrijwillige bijdragen die kerkgangers op
zon- en feestdagen op het altaar leggen en mogelijk de exploitatie van een boerenbedoeninkje.
Vaak ook wordt de pastorie om niet ter beschikking van de pastoor gesteld.
Heldring treft in het begin van de 1840-er jaren een akker midden in de hei aan, die zeer smal
en niet lang is, en aan welks einde twee eiken boomen staan. Deze akker alleen behoort aan
het domkapittel van Utrecht, terwijl al het overige land uren ver in de omtrek, het eigendom
is van de Baron van Brakel, thans eigenaar van den Doorwerth. De Ridder toont een foto
van een van de eiken en noemt die de "Domboom", naar de Utrechtse kerk. Het is denkbaar
dat de akker een schenking is van het bisdom of van de eigenaar of bezitter, bedoeld voor het
levensonderhoud van de pastoor. De akker ligt ca. 60 m ten westen van de kerk.
Over het inkomen van de kerk te Heelsum is het volgende bekend: tienden uit de Seelbeker
enk, de St. Jan's enk en een tiend uit de enk van Gaert van Geyn. Tot het vermogen heeft
behoord een heg - het kercken hegxken - nabij de Doorwerthse kapel.
Johan Rutgerss. onvangt voor zijn pastoorschap in Heelsum omstreeks 1555 omtrent
ongefeerlicken VIII molder roggen jaerlick incommende.
97
6.4. DOCHTERKERK
De Wolfhezer kerk heeft gedurende een zekere tijd een dochterkerk gehad in Heteren 18 .
Er is weinig bekend over deze kerk. Het betreft hier hoogstwaarschijnlijk een tufstenen kerkje
uit de 12 e eeuw, mogelijk voorafgegaan door een kapel. Het is evenals kasteel Doorwerth en
de kerk van Oosterbeek "buitendijks" gebouwd - als er al een dijk was - en moet bij hoge
waterstanden vaak zijn bereikt door de Rijn of door kruiend ijs in strenge winters".
Een oorkonde van 4 juli 1292 zegt: Rudolf en HendrikKoc, gebroeders, verzoeken het kapittel
van St. Marie te Utrecht, om den houder dezes, heer Godefrid, met de kerk van Heteren te
begiftigen 2 " . De gebroeders hebben het patronaatsrecht waarschijnlijk in leen van het kapittel
van St. Marie, dat het op zijn beurt in leen heeft van de bisschop. De familie Koc (Coc, Coquus)
is actief in het huidige Limburg en Noord Brabant, als ook in het Gelderse rivierengebied.
Hendrik Koc is waarschijnlijk schout te Oyen.
Van 18 april 1310 dateerthet volgende archiefstuk: Giselbertus de Iselsteyne, ridder, verklaart,
dat (de) bisschop op zijn verzoek de kerk van Heteren, waarvan het collatierecht aan deken
en kapittel van S. Marie toekwam, met hun toestemming naar Iselsteyne heeft overgebracht en
dat hij, om de rechten van deken en kapittel te beschermen, hun den grond van kerk en kerkhof
in eigendom heeft afgestaan en verzoekt (de) bisschop deze verklaring mede te bezegelen 11 .
Giselbertus is Gijsbert van Amstel, ridder, beleend met Ysselstein. Hij is omstreeks 1280
gehuwd met Bertha van Heukelom en heeft vier kinderen, van wie Jan kanunnik te Utrecht
is en thesaurier van St. Marie te Utrecht. Hij overlijdt tussen 9 mei en 2 oktober 1342.
Rond 1382 wordt Dire van Heteren beleend met de olde Hofstad tot Heteren, met de tienden,
groff en smal, mit heuren toebehoren ende mit de kerkgift tot Heteren, gelegen in Over-
Betuwe 11 . Als zijn zoon Dire van Heteren de belening al overneemt - op 13 maart 1410 - dan
zal deze na diens dood voor 21 September 1420 overgaan op zijn zuster Geertruyt, vrouw van
Segers van Groesbeck.
Op 6 april 1476verpandt Wyllem, heertotEgmontenBaeraanJasparvanBlitterswicko.li.de
kloktienden te Heteren, met voorbehoud van de kerkgift van Hyen en van Heteren
Blijkbaar is - en blijft - Willem van Egmond eigenaar van het collatierecht te Heteren 23 .
Niet onmogelijk raakt hij het collatierecht van de Heterense kerk in 1477 kwijt aan Evert Van
Wilp. Willem is de broer van hertog Arnold van Gelre.
Op 21 augustus 1543 beklaagt Oswald graaf Van den Bergh zich bij de stad Arnhem over
schending van zijn collatierecht te Heteren 24 . Van Schilfgaarde meent echter dat dit recht
schijnt .... niet op een deugdelijken grondslag gerust te hebben 1 *. Medio 17 e eeuw heeft de
Heterense predikant Ds. Noorman hierover met succes geprocedeerd tegen huis Bergh.
In 1494 wordt een klok opgehangen die in de toren is gegoten 26 . Van de kerk bestaat thans
alleen nog de toren.
Aan de kerk is de naam van Willibrord verbonden.
98
Heteren
"2. £
DE KERK VAN HETEREN
De kerk dateert uit de 1 1° eeuw, stond aanvankelijk buitendijks en is in 1834 deels ingestort.
Thans bestaat alleen nog de toren. De afbeelding toont de kerk in 1756.
Bron: Nieuwsbrief Historische Kring Kesteren e.o., augustus 2002, pag. 1 1 e.v.
Waarom nu zou deze kerk een dochterkerk van de parochie Wolfheze zijn?
Bij de kerkelijke indeling worden de Betuwe-plaatsen Driel, Heteren, Randwijk en Opheusden
organisatorisch onder de Veluwe gebracht.
Beelaerts van Blokland geeft daarvoor de volgende verklaring: de hooge Veluwezoom
vroeger bewoond is geweest en de oudste kerken aan die zijde hebben gestaan, terwijl de
overzijde der rivier te dezer plaatse oorspronkelijk slechts op enkele hooger gelegen gedeelten
geschikte woonsteden bood. Hetgebied der kerken op den Veluwezoom strekte zich aanvankelijk
dientengevolge uit ook over den zeer spaarzamelijk bewoonden overkant. Tengevolge van
steeds verder doorgevoerde bedijkingen en verbetering der afwatering is de linker Rijnoever
echter meer en meer bewoonbaar geworden en zijn daar op den duur kerken gesticht naar
gelang der behoefte. Aangezien de moederkerken dezer nieuwe parochien tot het dekanaat van
de Veluwe behoorden, bleven hare Betuwsche dochters onder hetzelfde kerkelijk verband 11 .
Van de Westeringh bevestigt deze visie onder toevoeging van lokale landschappelijke
ontwikkelingen in de Middeleeuwen.
99
In zijn brief van 24 februari 2007 aan de auteur schrijft hij o.a. Wat betreft de Middeleeuwse
ligging van Heteren en andere Rijndorpen en de kerkelijke relatie tot de Veluwse parochies
het volgende. Voor de bedijking —gesloten bedijking in de 14 de eeuw — was de rivier veel
minder een natuurlijke hindemis dan de komgronden c.q. het "broek" gebied daar achter (=
ten zuiden van de Noord-Betuwse oeverwal of stroomruggronden) . De Rijn werd steeds minder
een "echte " rivier, omdat de Waal steeds meer in belangrijkheid toenam. De Rijn verzandde
ook steeds meer Het natuurlijke landschap van de komgronden, later de "broeken ",
was zeker voor de bedijking maar ook eeuwen daarna voordat de ont- en afwatering goed
geregeld was, een nat gebied met veel wateroverlast en slappe, nog niet gerijpte gronden
en een lastige begroeiing. Dat na de totstandkoming van een gesloten bedijking rond de
Betuwe de kerken/parochies die al op de hogere Betuwse oeverwallen van de Rijn gesticht
waren, zelfstandig konden worden, los van de Veluwe, is op grond van het ontstaan van het
bedijkte rivierkleilandschap niet onlogisch. De bewoonbaarheid en begaanbaarheid nam na
de bedijking en de daarop volgende verbetering van de (binnendijkse) ont- en afwatering
steeds verder toe. De "broeken " (moerasbos of kreupelhout) werden "velden " (open gebieden
met veel grasland, eerst vooral hooilanden, later ook weilanden). De Rijn is een gemakkelijk
neembare barriere: met een bootje kon de steeds verder verzandende Rijn gemakkelijk
overgestoken worden, vergelijkbaar met Oosterbeek-Driel.
Tot hoe lang precies deze kerkelijke indeling heeft geduurd is niet geheel duidelijk. De
mening van Van de Westeringh is dat door de gesloten bedijking in de 14 e eeuw rond de
Betuwe de kerken aldaar zelfstandig van de Veluwe konden worden. Dit lijkt strijdig met twee
archiefstukken waarin Driel, Heteren, Randwijk en Opheusden tot in 1554/5 tot de Veluwe (In
decanatu Velue) worden gerekend 28 .
Wellicht zijn de dochterkerken in deze plaatsen na de bedijking tot zelfstandige parochiekerken
"opgewaardeerd" - in een archiefstuk van 13 September 1406 behelzende de overdracht van
41 morgen land wordt gesproken over kerspel Heteren - maar zijn zij als zodanig tot aan de
reformatie onder de Veluwe blijven ressorteren.
Zoals elders in dit werk is beschreven is het in elk geval vanaf medio 13 e eeuw tot in het laatste
kwart van de 16 e eeuw verboden geweest handelsgoederen over de Rijn te vervoeren tussen
Westervoort en Opheusden. Natuurlijk zijn er wel veerponten op dit traject geweest, maar die
zijn vooral of uitsluitend gebruikt voor het vervoer van personen. Te Meinerswijk, Oosterbeek,
Heteren en Randwijk, mogen de inwoners tegen betaling van cijns het schip houden om te
kercken mede te vairen d.w.z. om vanuit de Betuwe naar de parochiekerken op de Veluwe te
gaan. In de genoemde plaatsen heet het veerpont dan ook kerkschip.
Bekend is dat de Opheusdener kerk onder die van Wageningen heeft geressorteerd. De
buurtschap Driel heeft volgens Demoed tot ca. 1470 aan Oosterbeek behoord; volgens Nolet
en Boeren vormt de parochie Driel sinds 1464 een afzonderlijk dekenaat 29 . Heeringa meent
dat Driel omstreeks het midden van de 16 e eeuw nog tot de Veluwe heeft behoord 30 .
Het is dan logisch te veronderstellen dat Heteren volgens dezelfde regeling tot parochie
Wolfheze zal zijn gerekend en Randwijk tot kerspel Renkum. Een verdere aanwijzing
daarvoor is dat de parochies van Wolfheze en Renkum in het zuiden grotendeels grenzen aan
de kerspels van resp. Heteren en Randwijk.
Het definitieve bewijs van de moeder-dochter relatie tussen de Wolfhezer kerk en die van
Heteren blijkt uit een charter uit 1509, waarin staat dat de landcommandeur van de RDO de
klerk Bruno Henricksz. presenteert als pastoor der parochiekerk te Heteren, waarvan de kerk
te Wolfheze de moederkerk is, ter institutie aan de proost van St. Pieter te Utrecht 31 .
100
DE TOREN VAN DE KERK TE HETEREN ANNO 2008
6.5. KAPELLEN
Voor zover thans bekend zijn in het kerspel Wolfheze twee kapellen ontstaan, de een in het
eerste kwart van de 15 e eeuw in Doorwerth, de andere ca. 100 jaar later in Heelsum.
In beide gevallen is het initiatief uitgegaan van het huis Doorwerth.
In beide gevallen ook maakt Doorwerth gebruik van de pastoor van Wolfheze.
Het is allerminst zo dat de parochie door autonome groei zou zijn genoodzaakt tot de bouw
van kapellen. Een kerkelijke reorganisatie ligt er aan ten grondslag.
Zowel in Doorwerth als in Heelsum treedt de Wolfhezer pastoor op als deeltijd kapelaan.
Kapel en kapelaan vallen gewoonlijk onder het gezag van de pastoor van de parochie, waarin
de kapel is gevestigd; de kapelaan is niet gerechtigd tot zielzorg. Hier lijkt sprake van een
mengvorm die zowel voor de kasteelheer als voor het bisdom aantrekkelijke kanten heeft: het
bisdom houdt via de pastoor "grip" op huis Doorwerth en de kapel van huis Doorwerth krijgt
een hoger aanzien nu de parochiepastoor er "optreedt".
Schijnbaar valt de baan van parochiepastoor van Wolfheze qua zwaarte te combineren met die
van kasteelkapelaan in Doorwerth.
De eerste kapel, gebouwd omstreeks 1425, wordt voorafgegaan door een "gezinskapel".
Omstreeks 1 4 1 32 geeft de Utrechtse bisschop Frederik III Van Blankenheim toestemming aan
Robert Van Doorwerth en zijn vrouw Jutte Van Asperen om in hunne woning de mis te doen
opdragen op een draagbaar altaar en de mis, die in eene met het interdict getroffen kerk met
gesloten deuren wordt opgedragen bij te wonen 33 . Ook krijgt het echtpaar vergunning om voor
de tijd van een jaar een priester tot biechtvader aan te stellen 34 .
101
Uit een dokument van 1461 dat later nog aan de orde zal komen, blijkt dat de pastoor van
Wolfheze reeds enige tijd de diensten leidt in de kapel van de heer van Doorwerth. De Stichting
Vrienden der Geldersche Kasteelen meent dat de diensten vanaf het begin zijn geleid door
de pastoor van Wolfheze 35 . Het bisschoppelijke fiat tot vestiging van de gezinskapel is aan
zekere beperkingen onderhevig en lijkt gericht op het gemak voor de kasteelheer en zijn gezin,
want de dienst kan alleen door hen worden bijgewoond. Er moet een draagbaar altaar zijn, de
biechtvergunning geldt voor een jaar. De doop kan er blijkbaar niet worden bediend. Het huis
Doorwerth verwerft zich steeds meer macht en als gevolg daarvan komen er in de nabijheid
van het kasteel steeds meer personeelswoningen. Wellicht leidt deze ontwikkeling ertoe dat de
heer van Doorwerth omstreeks 1425 een kapel laat bouwen.
Een andere theorie: In 1421 voert de Utrechtse bisschop Frederik Van Blankenheim oorlog
tegen Reinoud van Gelre, leenheer van de Doorwerth en neemt tijdens zijn veldtocht op
de Veluwe Ridder Hendrik Van Homoet van Doorwerth gevangen in Arnhem 36 . Het is niet
denkbeeldig dat Hendrik, wanneer hij in 1426 heer van Doorwerth wordt, bij wijze van
revanche overgaat tot de bouw van zijn eigen kapel 37 .
De kapel is van steen, vrij groot, > 30 m 2 38 en wordt gebouwd op de plek die als Kapelleboom
bekend zou worden, aan de kruising van de Oosterbeekseweg en de weg naar de capelle, nu
de Holle Weg.
In de eerste helft van de 15 e eeuw ligt deze locatie centraal ten opzichte van de Seelbeekhof in
het oosten, de buurtschap Heelsum in het westen 39 en de nederzetting Wolfheze in het noorden.
De afstand van de kapel tot elk van deze drie kernen is ca. 2,5 km hemelsbreed. Kasteel
Doorwerth ligt op bijna 1 km hemelsbreed afstand ten zuiden van de kapel. De kapel ligt
welhaast zeker juist ten zuiden van de noordgrens van de heerlijkheid.
Volgens Laman Trip raakt de Doorwerthse kapel na de bouw van de kapel in Heelsum in
verval en worden er geen diensten meer in gehouden. Maar Oltmans en Demoed menen dat
de kapel omstreeks 1517 tot parochiekerk wordt verheven. Van den Berg zegt dat de kapel en
dus ook de nieuw gebouwde kerk tot parochiekerk was verheven. De al genoemde Johan Van
Wytenhorst, schrijft in 1556 dat de kapel .... van den van Doorweert een priester daermit
begyfticht worden.
Ook is bekend dat Walraven Van Haefften, weduwe van Frederick heer van Doorwerth, in
1534 betaalt aan heer Henrick, cappellain, eenjaer loens ad XX Horns gulden v. VIII golden
gulden. In 1536 betaalt zij in den yersten averkommen mitten cappellain heer Henrick omb die
missen te doen VI Horns gulden v. II golden gulden XII st over den jaere XXXV durende
tot XXXVI, anno uno revoluto* .
Uit het al genoemde dokument uit 1461 blijkt dat de pastoor van Wolfheze ook de diensten
zal leiden in deze kapel. Johan heer van Hemert, ridder, en zijn vrouw Sophie Van Bylant
erkennen erin schuldig te zijn aan Willem in de Niewelandt pastoor tot Wolfhesen ende tot
Helsom, ofte die in der tiit daer pastoor waer, van der smaelre tienden der kercken voors.
van vlas, was, byen ende van schapen ende al dat daertoe behoren mach, jaerlix enen alden
Vrancr. schilt, te betalen allejaer tot S. Peternellen dach mit gueden payement etc. ende den
tienden van den koren sal die pastoor voors. gebruicken als hy plach ten tyden Reynolts van
Homoet, den Gode in genade heeft. Ten aanzien van de duur van de overeenkomst verklaren
zij: ende desen pacht sal staen ende dueren also lange als wy tsamenlycke ofte een van ons
bey den den Doorweerde besitten
102
Niet bekend is of dit document de eerste overeenkomst is tussen de heer van Doorwerth en
de Wolfhezer pastoor. Tot aan 1461 zijn er wellicht mondelinge overeenkomsten geweest.
Reynolt overlijdt in 1459 en zijn weduwe Sophie trouwt daarna met Johan Van Hemert. Deze
wordt hulder als de kinderen van Reynolt met den Dorenweert worden beleend en het lijkt
alsof hij de "pastoorkwestie" wil formaliseren. Vermoedelijk wordt de kapel in het midden
van de 17 e eeuw gesloopt.
De Heelsumse kapel wordt gebouwd in de jaren 1517, 1518 en 1519. Het is niet waarschijnlijk
dat er voor 1 5 1 7 ter plekke een houten kapel is geweest. De eerste steen wordt in 1517 gelegd
door joncker Frederick van Voorst, heer te Doorwert en dat geschiedt des Dinxdaechs voor
Sinte Geertruiden dach, der Jofferen rein en in 1519 sloech Mr. Willem van Kerckhoff, pastoor
tot Heelsum, hyer boven dat hooch altaer den eersten ley. De kapel wordt gebouwd tott geriff
van den Doorenweertsche ondersaten, doordien d'andere nabueren, daeromtrent wonende,
mitt die kercken tott Oosterbeeck, Wolfhesen ende Rencom genochsaem waren geriif.
HET KERKJE TE HEELSUM
Aanvankelijk is er geen toren en dat klopt met het gegeven dat de kerk als kapel is begonnen.
J.G.A. Van Hogerlinden te Arnhem beargumenteert in een brief van 1 februari 1944 41 dat de
toren in 1678 is gebouwd. Ook een artikel in Hoog en Laag van 07-12-1988 gaat er van uit dat
1678 het bouwjaar is van de toren. De kapel is dan al lang tot kerk verheven.
In 1937 wordt op de toren een dakruiter - een herder met staf en twee lammetjes -
aangetroffen.
Dat is vreemd, want het is niet gebruikelijk om ruiters te plaatsen op een parochiekerk. De
ruiter draagt het jaartal 1678 en de letters W.D. Dit leidt tot de gedachte dat de ruiter afkomstig
kan zijn van de Doorwerthse kapel en dat de letters de initialen zijn van Wolter Dornick, heer
van Doorwerth tussen 1412 en 1419. Het is dan logisch te veronderstellen dat de Doorwerthse
kapel tussen deze beide jaren zou zijn gebouwd.
6.6. BISDOM UTRECHT EN GEREFORMEERDE CLASSIS
De Wolfhezer kerk heeft vanaf het begin in de Voile Middeleeuwen tot aan het einde in 1624
binnen het bisdom Utrecht gelegen. De Veluwe ressorteert in 1238 onder het aartsdiaconaat
van St. Pieter in Utrecht 42 . Het bisdom krijgt in de Middeleeuwen een grote omvang met
vaste grenzen die tot 1559 blijven bestaan. In dit jaar wordt door Paus Paulus IV - met de
al genoemde bul Super universas orbis ecclesias van 12 mei - een kerkelijke herindeling
103
voorgesteld 43 . Deze zal door de komst van de reformatie niet lang van praktisch belang zijn.
Wolfheze resp. de parochie Heelsum/Wolfheze blijft behoren tot het bisdom Utrecht. Het
bisdom Utrecht wordt in 1559 tot aartsbisdom verheven.
Op de gereformeerde synode van Harderwijk in mei 1580 wordt Gelderland ingedeeld in 6
classes. De zuidelijke en zuidoostelijke Veluwezoom vallen in de classis Over-Veluwe, Ring
Arnhem. De heerlijkheid Doorwerth valt daar ook onder, maar het huis Doorwerth is zich in
zijn territoir nog lang tegen de komst van de nieuwe leer blijven verzetten 44 .
Op de synode te Arnhem van 1593 wordt besloten: Die synode heeft goetgeacht dat het Hoof
door Sijn authoriteit die pastoren in particidiere heerlicheden als Dorenweerde, Isendoorn
in ordine dirigere.
NOTEN HOOFDSTUK 6
1. De Navorscherjrg. 26, 1876, pag. 523; BijdragenenMededelingen 1954, pag. 42; Fruinmeent
dat Herman een oom heeft die Allard heet. Is dit korrekt of is Allard een neef van Herman?
Overigens, de Sonnenberg is van voor 1 428 tot 1 489 in bezit geweest van Hendrik en Johan Van
Wijhe resp. oomzegger van Herman I en neef van Herman II. Johan heeft in 1408 een Seelbeek-
hoeve gepacht voor de duur van een jaar.
2. Die Lehnregister des Herzogtums Kleve, Band 8, 1974.
3. Maar zij is nog niet getraceerd in de Van Wijhe stamboom.
4. Zie Register op de Leenakten Boeken Kwartier Arnhem. Uitg. S. Gouda Quint, Arnhem.
5. Reinald's dochter Maria trouwt later met Sweder Van Montfoort, broer van burggraaf Hendrik
IV Van Montfoort.
6. Deze dateren van 13-09-1465.
7. Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland. Deel 6(1) Uitg. I. A. Nijhoff & Zn,
Arnhem 1859.
8. Vermoedelijk komt dit dokument in het archief van de afdeling Batenburg terecht, doordat
Philips I, nadat hij o.a. Arnhem in 1505 heeft veroverd, het slot Rosande aan Diederick Van
Bronkhorst en Batenburg geeft; deze zal het stuk in het slot hebben aangetroffen.
9. Hij is sinds 12 maart 1509 raad van hertog Karel van Gelre.
10. In de praktijk geldt dat een voordracht ter benoeming vrijwel altijd door het bisdom wordt
gehonoreerd.
11. Dit is mogelijk sinds 1237 als paus Gregorius IX de orde een algemeen privilege geeft om de
kerken waarover hij het patronaatsrecht heeft door eigen priester-broeders te laten bedienen.
12. R.R. Post. Eigenkerken en bisschoppelijk gezag in het diocees Utrecht tot de XHIe eeuw; Uitg.
1928.
13. Bronnen: Pruyscher saken Utrechtse Duitse Orde-ridders en Pruisen in Niederlander im
Ostseeraum und der Deutsche Orden. Op de ceduullijst wordt onder Elst vermeld Johan Ingen
Nuwelandt. In "De ambtman in het kwartier van Nijmegen (ca. 1250-1543)" van J. Kuys komt
voor Ernst Ingen Nulant. Andere aanduidingen voor ambtman zijn richter, burggraaf, (land)
drost, scholtus.
14. De archieven der gasthuizen en fundatien, gilden, schutterijen en vendels, pag. 331. D.P.M.
Graswinckel.
15. Meer details ter zake in Hoog en Laag van 13-05-1998, pag. 19.
16. Uit 1461 dateert een bekentenis van Johan, heer tot Hemert, die erkent schuldig te zijn aan
Willem in den Nyewelant, pastoor te Wolfheze en Heelsum, een oud frans schild 's jaars voor
de smalle tiend van de kerk van Wolfheze en Heelsum.
17. Register Leenaktenboeken vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Kwartier van Nijmegen,
pag. 144 e.v.
18. Er is in de 14" eeuw een buerscop toe Hetere, ook wel Heeten (diverse schrijfwijzen) in de
parochie van Raalte, maar hier gaat het om de kerk in het Betuwse Heteren. Dit Heteren wordt
voor het eerst genoemd in 1232: Insula de Hetere.
104
19. Duizendjaar weer, wind en water in de Lage Landen. J. Buisman, ISBN 90.5 194-141.
20. Regesten van oorkonden betreffende het Sticht Utrecht deel 2 (694-1301). G. Bron, Utrecht
1908.
21. Regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht uit de jaren 1301-1340. J.W.
Berkelbach van der Sprenkel.
22. Stichtsche, Gaasbeeksche en Overijsselsche Leenen gelegen in Gelderland. Uitg. Ver. Gelre
1907.
Op grond van dit archiefstuk en van wat bekend is over de kerkgiften van de Van Wilps kan een
tentatieve lijst van bezitters worden opgesteld: 1382-1420: Dire van Heteren en zoon Dire van
Heteren. 1420-1457: Geertruyt van Groesbeek-Van Heteren, zus van Dire; Griete Van Ewijk-
Van Boeningen, dochter van Geertruyt. 1465: Evert (II) Van Wilp. 1476: Willem tot Egmont
en Baer. 1472/1477: Evert Van Wilp. 1490: Jelis van Ewijk, zoon van Griete. (1492: Reyner
van der Wey?) ??: Johan van Lawijck, kleinzoon van de eerste Wolfhezer wildforster. 1497:
Evert Van Wilp. <1501: Belya Van Middachten-Van Wilp. 1501: RDO. 1507-1532: Aleid Van
Lawijck, zus van Johan. 1532-1557: Familie Van Muylecom, schoonfamilie van Aleid. 1557-
1597: Belya van Steprade en haar dochter Josina Van Sallant-Van Steprade. Hier wordt de lijst
beeindigd; de reformatie zal Heteren tegen het einde van de 16" eeuw zeker hebben bereikt.
23. Het archief van het huis Bergh. Regestenlijst l e deel. Van Schilfgaarde.
24. Inventaris van het oud archief der gemeente Arnhem. P. Nijhoff 1864.
25. Het archief van het huis Bergh, Inleiding.
26. Bijdragen en Mededelingen, dl 54, 1954.
27. Bijdragen en Mededelingen, dl 28, 1925. Bijdragen en Mededelingen 1983, pag. 21 e.v.
Bijdragen en Mededelingen 1985, pag. 9. Ach lieve tijd, 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en
de Rijn, deel 3, pag. 61.
28. Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573 van K. Heeringa, pagina's 180 en 340. Zie ook
Bijdragen en Mededelingen dl 28, pag. 55.
29. Kerkelijke Instellingen in de Middeleeuwen.
30. Zie 28.
31. Charter, RDO 324
32. Demoed noemt het jaar 1415, maar dan is Robert al overleden.
33. Een interdict is een kerkelijk verbod om in een bepaald gebied of een zekere gemeenschap
kerkelijke diensten te houden, sacramenten toe te dienen en kerkelijk te begraven.
34. Het komt wel meer voor dat de kerkelijke autoriteiten toestemming geven aan hooggeplaatste
huizen een eigen kapel in te richten. Zo verleent bisschop Frederik in 1394 toestemming aan
ridder Wynandus Van Arnhem, Elizabeth, zijn vrouw en Theodericus, zijn zoon, om voor de
tijd van een jaar een priester tot biechtvader te kiezen, in hun woning op een draagbaar altaar
de mis te doen opdragen en in kerken, die met het interdict zijn getroffen, de mis met gesloten
deuren bij te wonen.
35. Kasteel Doorwerth, 4 e druk, 1998, pag. 3.
36. De tocht heeft plaats juist na de oogsttijd. Zijn troepenmacht bestaat uit 600 knechten en 500
ruiters. In Renkum verwoest hij enkele hutten en trekt dan door naar Arnhem. Bron Geldersche
Geschiedenissen, Boek VIII, A. Van Slichtenhorst. Onderweg van Renkum naar Arnhem
passeert de bisschop de nederzetting Wolfheze.
37. Hendrik is heer van Doorwerth van 1426 tot 1430; hij overlijdt na 1433. De Historische
Vereniging "Oud-Wageningen" meldt op de site Geschiedenis Wageningen in jaartallen: 1422
Frederik Blankenheim, bisschop van Utrecht, overweldigt Wageningen onverwacht tijdens de
grote feestdag van St. Maarten. Bevelhebber Ridder Hendrik Van Homoet sneuvelt met 800
anderen. Download mei 2004.
38. H.R.A. Laman Trip: Een oud bouwwerk teruggevonden, Gelre 's Bijdragen en Mededelingen,
deel 27, 1924, pag. 12 en 13.
39. Het centrum van de buurtschap lag rondom de plaats waar nu het N.H. kerkje staat, in de
noordwest hoek van de kruising A50/N225.
105
40. Kapelaan Henrick heet voluit Hendrick Vaigts van Gladbach. Niet onmogelijk was hij kapelaan
te Heelsum.
4 1 . Gelders Archief volgnr. ADC 344: 1 .
42. Het oude bisdom Utrecht is verdeeld in aartsdiakonaten of proostdijen, o.a. H. Martinus, St.
Salvator, St. Jan, O.L. Vrouwe, St. Peter, Arnhem, Oldenzaal, Deventer, Arnhem.
43. Deze bul wordt op 10 maart 1560-1561 in meer gedetailleerde vorm uitgevoerd door Paus Pius
IV d.m.v. de bulla limitum. Deze paus laat de jaartelling beginnen op 25 maart.
44. W.H. Vroom: De financiering van de kathedraalbouw in de Middeleeuwen, ISBN 90-6179-047-
6; A.G. Schulte: Kerken in Gelderland, ISBN 90 601 1 959 2.
106
7. BETEKENIS VAN HET DORP
7.1. INLEIDING
Veelal onderscheidt een buurtschap, dorp of stad zich van andere gemeenschappen door de
vervulling van een specifieke taak of activiteit.
Zijn dorp en inwoners van Wolfheze in het voorafgaande beschreven, daarin is niet aan de
orde geweest welke betekenis het dorp heeft gehad voor de regio. Evenmin is iets gezegd over
de economische situatie van de dorpelingen.
Helaas zijn deze aspecten niet specifiek te beantwoorden bij gebrek aan informatie.
We moeten het dus doen met redeneringen en beredeneerde veronderstellingen.
7.2. AKKERBOUW, VEETEELT, HUISVLIJT, HANDEL
De nederzetting lijkt niet voortdurend en alleen een kwijnend bestaan te hebben geleid. Die
indruk kan gemakkelijk ontstaan doordat de kerk van Wolfheze aftakelt naarmate de archieven
uitgebreider en beter worden.
Allereerst een opsomming van enkele aanwijzingen van een min of meer bloeiende
gemeenschap ooit:
• Een relatief grote, zelfstandige parochiekerk met een toren die misschien tegelijk met de
bouw van de kerk, maar in elk geval relatief snel na de oplevering ervan resp. voor 1390 - lang
voordat b.v. Oosterbeek een toren krijgt - van een toren wordt voorzien 1 .
• De bevolking van het dorp en van de parochie heeft in de regio een bovenmodale positie
gehad.
• Sedert 1366 heeft het wildforstergoed bijgedragen aan de ontwikkeling van dorp en regio.
Maar of de kerk in gelijke mate ervan heeft geprofiteerd is de vraag. De hoeve van het goed
heeft steeds of lange tijd in het kerspel Oosterbeek gelegen, zij het aan de grens met parochie
Wolfheze en op nog geen kwartier loopafstand van de Wolfhezer kerk.
• Uit de studie van Groneman blijkt dat de kerk een crypt heeft gehad, geschilderde ramen en
een leien dak. Dit zijn vrij kostbare voorzieningen, maar niet per se tekenen van een florerende
gemeenschap: ze kunnen zijn getroffen door en/of voor de eigenaar of bezitter van de kerk.
Anderzijds: zouden ze zijn aangebracht als de kerk onbeduidend was geweest of in verval?
• Het gegeven dat een relatief hoog aantal mensen in de kerk is begraven - in 1 893 zijn
resten van 7 mensen binnen de fundamenten aangetroffen - behoeft op zich genomen niet te
betekenen dat het dorp een bloeiende gemeenschap zou zijn geweest: er zullen ook doden uit
andere delen van de parochie zijn begraven. Maar ook hier geldt: was de kerk zonder enige
aanzien geweest dan zou de elite - kerkgraven worden uitsluitend door rijken, geestelijken en
andere hooggeplaatsten gebruikt - wel ergens anders zijn laatste rustplaats hebben gekozen.
Kerk, dorp en parochie lijken dus gedurende een zekere tijd resp. van tijd tot tijd in "goeden
doen" te zijn geweest. Welke oorzaken kunnen hieraan ten grondslag liggen?
107
Een opsomming van enkele factoren:
• De bevolking beschikt over relatief vruchtbare grond die akkerbouw en veeteelt mogelijk
maakt. De produkten zijn bedoeld voor eigen gebruik, voor de vereffening van schulden -
waaronder die aan de pachtheren - en voor de handel. Bovendien maakt men artikelen en
produkten uit wat de omliggende natuur heeft te bieden.
• Er is voldoende schoon water voorhanden.
• De bevolking is goed geinformeerd door de nabijheid van belangrijke internationale
handelswegen. Dat kan worden aangetoond aan de hand van het volgende: de vroege acceptatie
(rond 1520) van het protestantisme door monniken van het klooster Mariendaal - evenals
Wolfheze gelegen aan de heerwech - wordt toegeschreven aan vrachtvoerders. De bevolking
is ook goed op de hoogte door de contacten met de adel en met medeparochianen.
• De bevolking woont bij de marktplaats die kerk en kerkhof zijn. Wellicht heeft de kerkeigenaar
logement aangeboden aan de weggebruikers en hebben de Wolfhezenaren hun diensten
aangeboden als de wagens pech hadden of vastliepen in de beekvoorden of op de wegen.
• Het dorp ligt aan een kruispunt van twee zeer belangrijke verkeersaders. De Wolfhezenaren
hebben gemakkelijk toegang tot klanten op verderaf gelegen plaatsen, zoals b. v. de kastelen van
Rosande, Doorwerth en Renkum, de kloosters van Mariendaal en Renkum. De 16 e - eeuwse
adel en clerus zijn "big spenders". De adel verarmt zich in een excessieve levensstijl en de
kloosterlingen meten zich zo'n manier van leven aan terwijl zij juist steeds rijker worden.
Mogelijk neemt het handelsverkeer na 1540 nog toe, omdat in dit jaar Wageningen toetreedt
tot de Hanze. Arnhem is al sinds 1437 een Hanzestad, na een onderbreking van meer dan een
eeuw.
• De dorpelingen hebben ook toegang tot de markten in nabij gelegen grote plaatsen als
Arnhem, Ede en Wageningen. Maar ook verderaf gelegen markten als die van Rhenen,
Amersfoort en Harderwijk zijn bereikbaar geweest.
• De kerk heeft inkomsten genoten uit de markthandel en er zal tol zijn geheven in het
Wolfhezense, o.a. bij de Rondeel-landweer, ten westen van de kerk.
Dit laatste punt - handelsinkomsten, tolgelden - behoeft nadere uitleg, want heeft te maken
met handelspolitieke regelingen in de streek tussen Arnhem en Wageningen, bezuiden en
benoorden de Rijn.
Het Rijnveer op de Praats bij Arnhem is - waarschijnlijk sedert 1076 - eigendom van de kerk
St. Pieter te Utrecht. Het veer wordt verpacht, in de 13 e eeuw aan horigen van St. Pieter en
vanaf ca 1306 aan de families Van Arnhem en Ploech 2 .
Als Arnhem in 1233 stadsrechten krijgt en (Nieuw) Wageningen in 1263 bepaalt de graaf van
Gelre dat tussen Westervoort en Opheusden (tegenover Nieuw Wageningen) geen goederen
over de Rijn mogen worden vervoerd dan alleen op de Praats en bij Opheusden. De pachters
van het veer betalen daartoe - naast de aan St. Pieter verschuldigde pachtsom - ook een bedrag
aan de graaf. De regeling is niet onvoordelig voor die pachters, want zij kunnen verzekerd zijn
van meer vrachtaanbod op de beide veren 3 .
Goederentransporten naar de Veluwe vanuit het zuiden moeten dus op een bepaald punt ten
zuiden van de Rijn naar Arnhem of Opheusden uitwijken om daar de rivier te kunnen passeren.
Ook ten noorden van de Rijn moet het goederenverkeer afbuigen naar Arnhem of Wageningen.
108
Er zijn incidentele signalen dat de naleving van deze regeling in de praktijk ook is
gecontroleerd.
Het is logisch te veronderstellen dat het goederenverkeer benoorden de Rijn naar en van
Arnhem en Wageningen juist bij Wolfheze naar deze plaatsen heeft moeten afbuigen via de
heerwech. Separaat onderzoek door deze auteur heeft aannemelijk gemaakt dat er tot aan ca.
1600 tussen de heerwech en de Rijn geen belangrijke, doorgaande wegen zijn geweest tussen
Arnhem en Wageningen.
Maar er lijkt meer aan de hand te zijn.
De familie Van Wilp lijkt in bijzondere mate van de zojuist beschreven handelspolitiek te
hebben geprofiteerd. De Van Wilps zijn mogelijk door vererving van de familie Van Arnhem
- de moeder van de laatste mannelijke telg uit het geslacht is Elisabeth Van Arnhem van
Rosande - in elk geval door belening pachter van het halve veer op de Praats. Zij wonen
in kasteel Rosande, niet ver van de Praats en kunnen het goederenverkeer over de Praats
dus gemakkelijk (laten) controleren. De familie heeft ook leenrechten op de Wolfhezer kerk.
Op en bij de marktplaats van de kerk wordt het geld verdiend. lets verder westelijk ligt de
landweer, alwaar tol zal zijn geheven.
Nog weer iets verder naar het westen kruist de heerwech met de noordzuidweg. Het is treffend
dat juist op dit punt het Rondeel ligt: precies daar waar het verkeer op beide wegen goed kan
worden gecontroleerd, in de zuidoost hoek van de kruising. En precies daar, op het grondgebied
aan de oostzijde van de landweer, dat zeer waarschijnlijk tot hof Wolfheze behoort en dat in
leenbezit is van de Van Wilps.
Daar komt bij dat de noordzuidweg ook ten zuiden van de Rijn vrij gemakkelijk door de
Van Wilps kan worden gecontroleerd, als zij dit zouden wensen en nodig zouden hebben. Zij
hebben immers het bezit van de Heterense kerk en wellicht iemand ter plaatse die de controle
kan uitoefenen. Voor de tweede helft van de 15 e eeuw zal Evert (II) Van Wilp wellicht even
frequent in Wolfheze als in Heteren zijn geweest. Maar het lijkt dat een controlepost langs de
noordzuidweg benoorden de Rijn voldoende is geweest.
Onbekend is of andere leenbezitters van de Wolfhezer kerk - voor en na de Van Wilps -
dezelfde mogelijkheden hebben gehad 4 . Daar komt bij dat het gehele stelsel in de tweede helft
van de 16 e eeuw in onbruik zal zijn geraakt of terzijde zal zijn gesteld. De oorzaken daarvan
komen aan de orde in het volgende hoofdstuk.
Terug naar de oorzaken van de relatieve welvaart der Wolfhezenaren.
De vraag is wanneer die voorspoed zich zou hebben voorgedaan. De "Gelderse Gouden Eeuw"
tijdens het bewind van Otto II van Gelre in de 13 e eeuw kan ook Wolfheze voorspoed hebben
gebracht. Maar, in tijden van algehele malaise kan een lokale/regionale samenleving floreren
en omgekeerd.
Kortom, bij gebrek aan gegevens en gelet op de geringe omvang van Oud- Wolfheze is het
onmogelijk die voorspoed defmifief aan te tonen en in de tijd te begrenzen.
Waarschijnlijk dateren de signalen van voorspoed uit tijden - tijdsintervallen - dat het rustig
was op de Veluwezoom: perioden waarin geen oorlogen en confiicten zijn uitgevochten in de
streek en de bewoners het dorp niet om lijfsbehoud hebben hoeven verlaten.
Uiteindelijk worden tegen het einde van de 16 e eeuw het verval van de kerk en de heerwech,
de sociale onrust en de economische verpaupering de nederzetting fataal.
109
NOTEN HOOFDSTUK 7
1 . Maar als de toren is gebouwd als vluchtplaats voor de parochianen dan is er ook het negatieve
aspect dat het dorp extra bescherming nodig heeft gehad.
2. Verkerk meent dat de rechten op dit veer al eerder en via de omweg van hof Seelbeek en
de Utrechtse St. Maartenskerk in handen zijn gekomen van het St. Pieterkapittel. De in
1215 opgestelde goederenlijst van het St. Pieterkapittel in Utrecht maakt gewag van "curtis
Selebeke ".
Het veer op de Praats en de familie Van Arnhem: Op 19-05-1323 krijgt Wynandus Alius
Theoderici dicti Tyke uit dit geslacht de rechten op de helft van dit veer van de St. Pieter te
Utrecht. Na hem krijgt zijn zoon dit bezit in 1355. 22-05-1360 : Overeenkomst tussen Winand
Van Arnhem en St. Pieter over het leenbezit van de helft van het veer. Winand betaalt J gouden
ouden scudati, munt van Vlaanderen, pro herwada.
Circa 1400 : Klacht van Wijnand Van Arnhem aan graaf van Gelre dat te Randwijk goederen over
de Rijn worden gezet met het kerkschip. 11-04-1415 : Zie onder 08-05-1484. Omstreeks 1475 :
Mogelijk heeft de hertog van Gelre de veerrechten te Arnhem aan Evert II onthouden of ze van
hem teruggenomen. Bekend is dat Evert omstreeks dit jaar zijn loyaliteit aan Adolf van Gelre
verwisselde voor trouw aan Karel Van Bourgondie. 08-05-1484 : St. Pieter erkent de helft van
het veer te Arnhem in eeuwigdurende erfpacht te hebben gegeven aan Elizabeth Van Arnhem,
weduwe Evert Van Wilp. Deze deal wordt gemaakt op basis van voorwaarden die zijn omschreven
in een brief van 11-04-1415. Op 03-08-1485 oorkondtde stad Arnhem de overeenkomst. 04-03-
1491: St. Pieter aanvaardt het halve veer aan de Praast als een gemortificeerd goed en vervallen
en verzuimd leen. 27-10-1496: St. Pieter erkent de eeuwigdurende erfpacht van het halve veer
te Arnhem op dezelfde voorwaarden als die van zijn moeder op 08-05-1484.
17-05-1499: Evert Van Wilp neemt het halve veer te Arnhem in eeuwige erfpacht. (30-05-1501:
Winant Van Doorninck Wz. Ontvangt het halve veer voor de stad in erfpacht. Het is niet geheel
zeker of deze veerhelft voorheen aan de families Van Arnhem en Van Wilp heeft behoord. De
laatste Evert Van Wilp is kort voor deze belening - op 12 maart 1505 - overleden.) 16-12-1511:
Andries Van Wyssenich alias Bell neemt in erfpacht de helft van het veer voor Arnhem, gelijk dit,
na doode van heer Evert van Wilp, eerst op vrouwe van Middachten (= Belye Van Middachten -
Van Wilp, zuster van Evert) en, na haren dood, op Margareta van Arnhem weduwe van Adriaan
van Broekhuizen verstorven was. 29-11-1516: Winand Van Arnhem neemt in eeuwige erfpacht
het halve veer voor de stad Arnhem, welk veer door het kapittel, ten gevolge van verzuimde
betaling, weer aanvaard was. (27-03-1572: Henrick Van Doorninck en echtgenote dragen op
aan St. Pieter de erfpacht van het halve veer op de Praast.) 31-03-1592: Briefwisseling tussen
de stad Arnhem en St. Pieter over de voorgenomen verkoop van het veer aan de Praast. 1601:
Koop van het veer door de stad Arnhem.
Deze informatie komt grotendeels uit: Coulissen van de macht van C.L. Verkerk, Inventaris
van het oud archief der gemeente Arnhem. P. Nijhoff, 1 864 en het oud archief der gemeente
Arnhem door D.P.M. Graswinckel. Blijkens het Archief van het burgerweeshuis te Arnhem
1583-1914 heeft de familie Van Arnhem rond januari 1485 ook in bezit gehad het veer en de
waard te Malburgen.
3. Ook Arnhem en Wageningen zullen ervan hebben geprofiteerd, als ook de graaf zelf.
4. Tenzij de familie Van Arnhem leenrechten op de Wolfhezer kerk zou hebben gehad.
Vermeldenswaard is in elk geval dat wanneer de klok van Wolfheze in 1390/1 wordt afgewynd
- hoofdstuk 2 - Wynandus de Arnhem domini Wynandi burgermeester is van Arnhem in 1390
en Wynandus de Arnhem domini Gherardi in 1391. Zij behoren tot dezelfde familie Van
Arnhem.
110
8. ONDERGANG VAN DORP EN KERK
8.1. TEKENENVANVERVAL
Eerst een opsomming van enkele gegevens en gebeurtenissen waaruit de teloorgang van kerk
en dorp is te extraheren:
• De (of een) kerkklok wordt in 1390/1 "afgewijnd", zie hoofdstuk 3.3.
• De kasteelbewoners richten rond 1410 een gezinskapel in en bouwen rond 1425 een
zelfstandige kapel. Het is duidelijk dat het aanzien van de Wolfhezer kerk niet wordt bevorderd
als zijn pastoor in deeltijd in de kasteelkapel gaat werken en de top van de sociale pyramide
minder vaak of niet meer in Wolfheze ter kerke komt.
• De benoeming in 1461 van een pastoor met een belast verleden.
• De aanval van de Galioten op Wolfheze in juli 1505. Volgens Oltmans verwoesten zij vier
huizen, maar blijft de kerk gespaard 1 . De aanval is voor enkele inwoners van het dorp, onder
wie koster Robert, reden om hun heil elders te zoeken. De terugloop van het inwonertal - de vier
verwoeste huizen vormen minimaal 1/3 deel van het totale huizenbestand - en de verpaupering
van de achterblijvers zal de positie van de Wolfhezer nederzetting en kerk hebben verzwakt.
• Een gebeurtenis die de teloorgang van de Wolfhezer kerk aanzienlijk heeft versneld is de
openstelling in 1519 van de kapel in Heelsum, in opdracht van Margriet Van Homoet, Vrouwe
van Doorwerth.
• Rond 1526 gaat het niet goed met de nederzetting. De RDO wil in 1526 onderhoudswerk
laten doen aan de kerk, maar de aannemer moet zijn kosten vergoed zien te krijgen uit
de offergelden. Hij krijgt althans de sleutel van het offerblok van de orde. Voorwaar geen
vastberaden poging tot herstel.
Maar ook de wildforsterij maakt een moeilijke tijd door. In 1526 wordt het goed door de
vrouwe (!) van Middachten verpacht aan Woelters Willems. Het huis van Middachten heeft
de supervisie over de Veluwse wildforsters en het feit dat de supervisor het goed verpacht
wijst er op dat de Van Lawijcks "buitenspel" staan.
Ook het feit dat in de pachtovereenkomst niet wordt gesproken over het wildforstergoed,
maar over het guet Wiilfhesen is indicatief voor een slechte gang van zaken. Immers, het goed
is wellicht geen wildforstergoed meer of is dat slechts deels. Blijkens de aantekening bij
de belening van het goed aan Gertrud Van Lawijck zijn er ook problemen met de leenheer
geweest. Als gevolg daarvan waren de leenrechten vervallen, maar wegens bewezen moed en
trouw door wijlen haar man Gijsbert wordt Gertrud in de oude leenrechten hersteld.
• Uit een kaart van 1550, weergevende de kerkelijke indeling in het Rijngebied tussen
Oosterbeek en Wageningen, komt de Wolfhezer kerk voor als kapel, de Heelsumse kerk
als parochiekerk en in 1561 ontstaat de parochie Heelsum/Wolfheze als vervanging van de
Wolfhezer parochie. De kerken van Arnhem, Oosterbeek en Renkum liggen ook in het zuiden
van hun kerspels, dicht bij de Rijn. Door de verplaatsing van de parochiekerk van Wolfheze
naar Heelsum komt die vrijwel op een rechte lijn te liggen met de drie zojuist genoemde
kerken.
Ill
• De Proceskaart uit 1553:
- de afwezigheid van een kruis op de toren
- de afwezigheid van een kerkhof
- de afwezigheid van een pad naar een kerkingang, terwijl alle andere opstallen wel een
toegangspad hebben.
• De beeldenstorm (1566 en heroplevingen in 1572, 1580 en later) is waarschijnlijk aan
de kerk voorbijgegaan. Maar het opkomend protestantisme heeft zeker bijgedragen aan de
ondergang van de kerk, al was het alleen maar omdat de daarmee gepaard gaande onzekerheden
niet hebben uitgenodigd tot restauratie van het vervallen kerkgebouw. In 1582 besluit het Hof
van Gelre dat de niet-katholieke godsdienst de enig toegelaten vorm van eredienst is en in
1 587 volgt een verbod op de Heilige Mis, het toedienen van de doop op katholieke wijze en de
katholieke huwelijkssluiting. Daar komt bij dat de bevolking volkomen verpauperd en de adel
verarmd en decadent is, terwijl de kerk als instituut door langdurig moreel en zedelijk verval
ontwricht is.
Nu de feitelijkheid van de teloorgang van Wolfheze is gebleken moet eerst worden gezocht
naar een samenhangende verklaring van de daaraan ten grondslag liggende verbanden en
factoren.
• Een van de onderliggende oorzaken is mogelijk absentei'sme van de grondeigenaar of de
leenbezitter. De kerk resp. hof Wolfheze is - althans in de Late Middeleeuwen - tot aan zijn
ontmanteling ononderbroken in eigendom of bezit geweest van de huizen Van Montfoort, Van
Wijhe, Van Wilp en van de RDO of diens landcommandeur, die alien hun domicilie elders
hebben. Leenheer noch leenmannen gaan in Wolfheze naar de kerk en hebben dus geen direct,
persoonlijk belang bij een goed functionerende kerk. Wellicht gaat dat laatste minder op voor
de tweede helft van de 15 e eeuw wanneer de laatste Evert Van Wilp de kerk in bezit heeft.
De wildforsterij kent in goede tijden waarschijnlijk minder absentei'sme, maar heeft zeker
perioden van stagnatie en achteruitgang meegemaakt. Zo is het goed rond de overgang van de
15 e naar de 16 e eeuw gedurende tientallen jaren verwaarloosd en wellicht zelfs niet bewoond
geweest. Ook is belangrijk dat de leenbezitters van hof en wildforstergoed in elk geval in de
15 e en 16 e eeuw elkaar frequent afwisselen en dat sommigen oud of armlastig zijn. Ook hierop
vormt de periode van Van Wilp v.w.b. hof Wolfheze waarschijnlijk weer een uitzondering.
• Vanaf 1501 is de landcommandeur van de RDO namens de orde de leenman van de kerk.
Onderneemt de orde in 1526 geen vastberaden poging tot herstel, zoals hiervoor gezegd, een
belangrijker conclusie is dat de RDO zijn handen aftrekt van de kerk, althans in fmancieel
opzicht. De orde hangt de rooms katholieke leer aan tot in 1637, lang nadat de reformatie de
bestuurslagen heeft bereikt. Het is aannemelijk dat de orde hierdoor vanaf medio 16 e eeuw
geen krachtige rol heeft kunnen spelen met betrekking tot de kerk. Overigens, het is weinig
waarschijnlijk dat de RDO ooit en uberhaupt een sterke rol heeft kunnen vervullen in Wolfheze
of elders. Het ontbreekt de organisatie aan (machts)middelen om zijn belangen - zijn pachters,
opstallen en gronden - veilig te stellen.
• De kerk heeft altijd een gei'soleerde ligging gehad en heeft zich in tijden van gevaar nimmer
onder de bescherming kunnen stellen van een land- of kasteelheer.
• De rol van huis Doorwerth.
Het aanzienlijke huis Doorwerth is de Wolfhezer kerk, althans diens eigenaren en bezitters,
niet goed gezind. De heren van Doorwerth zijn bepaald machtsbelust 2 .
112
Waar hun gebied aan de zuidkant door de Rijn wordt begrensd zal het voor hen geen genoegen
zijn geweest dat zij het grondgebied van hun heerlijkheid - tot ver in de Nieuwe Tijd - niet
noordwaarts hebben kunnen uitbreiden.
Immers, zij stuiten dan o.a. op de gronden van de Wolfhezer wildforsterij en van hof Wolfheze.
Demoed toont aan de hand van het Leenboek 1413-1518 aan dat huis Doorwerth zeer
omvangrijke lenen heeft, maar geen in de strook gebied tussen de Rijn en Oud - Wolfheze.
Hij ziet echter wel over het hoofd de belening uit 1402 ...met den bossche dat daer t o hoort,
gelegen in den kerspel van Wolffhesen ende van Oosterbeeck.
(De leengoederen de Sonnenberg en Oorsprong van huis Doorwerth liggen verder oostwaarts).
In 1602 ligt de noordgrens van de heerlijkheid Doorwerth ettelijke kilometers bezuiden
het wildforstergoed en hof Wolfheze. In 1616 ligt deze grens aanzienlijk noordelijker. De
wildforsterhoeve ligt dan waarschijnlijk niet binnen de heerlijkheid, verschillende heggen
ervan wel. Ook hof Wolfheze valt geheel buiten de heerlijkheid.
Hierbij moet worden opgemerkt dat a/ er twijfels kleven aan de juistheid van deze kaart, die
waarschijnlijk uit politieke motieven is ontstaan en b/ de tekst van Demoed (pag. 27) als zou
de noordgrens van de heerlijkheid samenvallen met de Zwarte Weg (= de oude heerwech) niet
juist is. Op zijn kaart 10 is duidelijk te zien dat de (vermeende) noordgrens ruim ten zuiden
van de Wolfhezer kerk loopt om de heerwech 1 a 2 km ten zuidwesten van de kerk te raken. In
1672 valt hof Wolfheze nog altijd niet binnen de grenzen van Heerlijkheid Doorwerth en het
wildforstergoed waarschijnlijk slechts deels 3 .
Ook heeft huis Doorwerth geen heggen in de onmiddellijke nabijheid van Wolfheze. Kaart
6 van Demoed laat zien dat de meest noordelijk gelegen Doorwerthse heg - de Silverbergh
hegge - in 1616 toch nog ruim een km van hof Wolfheze en de wildforsterij is verwijderd. In
het laatste kwart van de 17 e eeuw krijgt huis Doorwerth erfpachtrechten op hof Wolheze, wat
niet betekent dat er sprake is van een uitbreiding van de heerlijkheid Doorwerth.
De heren van Doorwerth zullen het evenmin aangenaam hebben gevonden dat hun heerlijkheid
geen eigen kerk heeft. Het gevolg daarvan is al even onplezierig: anderen - de huizen Van
Montfoort, Van Wijhe en Van Wilp en de RDO of diens landcommandeur - bepalen wie hun
pastoor zal worden.
Hoe gevoelig dit ligt is wel gebleken in de al geschilderde pastoorskwestie in 1554-1556 te
Heelsum. Maar eerder al - in 1436 - ontstaat een conflict tussen huis Doorwerth en Van Wilp,
als deze laatste hof Wolfheze in leen krijgt, terwijl huis Doorwerth meent er rechten op te
kunnen laten gelden.
Zijn de heren van Doorwerth passief gebleven in deze situatie? Het lijkt er niet op.
Zoals al vermeld krijgen Robert Van Doorwerth en zijn vrouw omstreeks 1410 toestemming
van de bisschop om een gezinskapel in te richten. Tot dan toe gaan de kasteelbewoners in
Wolfheze ter kerke. Althans, zij behoren dat - strikt kerkrechtelijk genomen - te doen want
de pastoor heeft in zijn parochie een zielzorgmonopolie en de parochianen zijn verplicht de
zondagsmis in de parochiekerk bij te wonen. Echter, de kasteelbewoners bezoeken 66k de
Oosterbeekse kerk. De kerk krijgt herhaaldelijk steun van het huis. In 1416 schenkt Jutte Van
Asperen aan het altaar van de kerk, gewijd aan God en de Heilige Maagd, enige goederen
voor het zieleheil van haar overleden man Robert.
Blijkbaar heeft de Wolfhezer kerk niet de onverdeelde toewijding van huis Doorwerth.
Omstreeks 1425 laat huis Doorwerth een zelfstandige kapel bouwen en het ligt voor de hand
dat nu ook bedienden en andere parochianen niet meer of minder naar de kerk in Wolfheze
zullen gaan.
113
In de in 6.5. behandelde schuldbekentenis van Johan Van Hemert en zijn vrouw wordt
gesproken over depastoor tot Wolfhesen ende tot Helsom. Maar deze pastoor is ook de pastoor
van de heerlijkheid Doorwerth en dat wordt nu juist onvermeld gelaten. Blijkbaar wil het
echtpaar dit gegeven verdoezelen.
¥ ■ -&^mW 32&0R.2TWXMM& v**i mwwt.jpff.
Een ander voorbeeld dateert van 23 maart 1498, als Sophie Van Bijland van Doorwerth aan de
Arnhemse St. Walburgkerk de helft van de grove en smalle tiend te Randwijk schenkt voor
twee memorieen op haar graf (in de kerk) en vier wekelijkse missen op het Heilig Kruisaltaar;
de schenking wordt begroot op soeventien golde Franckrixe erffelicker reynten*.
Het is te begrijpen dat Sophie voor haar graf de voorkeur geeft aan een stadse kerk boven een
dorpse. Maar uit de oorkonde blijkt dat zij en haar beide echtgenoten deze kerk al lange tijd
bezoeken.
Huis Doorwerth had - als parochiaan - de kerk in Wolfheze moeten ondersteunen. Wellicht
is die steun er ook wel geweest, klaarblijkelijk in onvoldoende mate. Maar elke steun die
huis Doorwerth aan de kerk zou hebben verleend zou in feite een vergoeding zijn van de
nalatigheid van de huizen Van Montfoort, Van Wijhe, Van Wilp en de RDO.
In 1 5 1 9 wordt de nieuw gebouwde kerk van Heelsum opgeleverd. Het valt op dat de kapel snel
aan status wint. Relatief kort na zijn inwijding wordt de kapel tot parochiekerk opgewaardeerd
en in 1 546, maar mogelijk al eerder, heeft de kerk een koster, Evert Henricxs 5 .
Bisdom Utrecht en huis Doorwerth hebben, gegeven de deplorabele staat van de Wolfhezer
kerk, duidelijk een gezamenlijk belang. Het bisdom heeft hoogstwaarschijnlijk geen
zeggenschap over de Wolfhezer kerk en evenmin over de Heelsumse kerk, maar heeft er wel
belang bij een vervallen kerk te "ruilen" voor een splinternieuwe dichtbij. Het voordeel voor
huis Doorwerth is dat het eindelijk een eigen kerk binnen zijn heerlijkheid krijgt en dat het
pastoors van eigen keuze ter benoeming door de kerk kan voordragen. Bovendien is de afstand
tussen de Heelsumse kerk en de dochterkerk te Heteren korter dan die tussen de kerken van
Wolfheze en Heteren.
114
Onnodig te zeggen dat de Heelsumse kerk sterk ten nadele van die van Wolfheze heeft gewerkt
en dat niet alleen in termen van aantallen kerkbezoekers. Het Heelsumse godshuis zal handel
hebben weggekaapt van zijn Wolfhezer concurrent. Immers, het ligt op twee km afstand van
de noordzuidweg en aan dezelfde heerwech als de Wolfhezer kerk. Tussen Westervoort en
Opheusden zullen nog steeds geen handelsgoederen over de Rijn mogen worden vervoerd en
de kapel ligt iets gunstiger t.o.v. het veer Wageningen/Opheusden dan de Wolfhezer kerk.
Deze aspecten zijn voor de heer van Doorwerth ongetwijfeld mede bepalend geweest om zijn
kerk juist daar te bouwen en niet dichter bij de grootste woonkern van de parochie, het kasteel
en zijn directe omgeving. Het bisdom is om die reden wellicht even content geweest; de kerk
staat aan de grens van het parochiegebied, zie 2.1. 6
8.2 DE ONDERGANG
Groneman en andere Wolfheze-auteurs suggereren dat de Wolfhezer bevolking omstreeks 1587
is weggetrokken. Alle auteurs leggen een direct verband tussen het vertrek van de bewoners en
de vermeende verwoesting van kerk en dorp door Spaanse troepen in 1585.
Op grond van deze studie wordt een andere oorzaak voor de ondergang van kerk en dorp
voorgesteld. Niet een enkele oorzaak - verwoesting door Spaanse troepen in 1585 of 1624 -
maar een langgerekte teloorgang.
Het verval slaat vooral toe in hof Wolfheze. Het wildforstergoed beleeft ook moeilijke tijden,
maar blijft - soms met intervallen - functioneren.
De in 8.1 genoemde symptomen van verval doen zich aanvankelijk voor op verschillende
terreinen en gespreid in de tijd. In de loop van de 16 e eeuw komen de negatieve factoren samen,
bei'nvloeden en versterken elkaar en brengen kerk, dorp en parochie zo zeer in de knel dat de
ondergang uiteindelijk niet meer is te vermijden. Op een gegeven moment - waarschijnlijk
omstreeks 1600 - wordt een "point of no return" bereikt en bezegelt een kortstondig verblijf
van de troepen van Van den Bergh in de winter van 1624 het lot van de kerk.
Het is onduidelijk op welk moment in de geschiedenis de teloorgang van de kerk begint.
Is het gegeven dat de torenklok in 1391 wordt "afgewijnd" een eerste indikatie?
Hoe dat ook zij, de voor de kerk negatieve ontwikkelingen vanaf de eerste helft van de 15 e
eeuw zijn evident. Wordt dit tijdvak gezien als het begin van de aftakeling dan zou deze tot
aan de sloop van het gebouw in 1624 omstreeks twee eeuwen hebben geduurd.
Bezien tegen deze achtergrond is het opvallend dat de huizen Doorwerth en Van Wilp beiden
in 1436 interesse hebben in een leen op de kerk en de omliggende gronden.
De laatste Evert Van Wilp moet in de 2 e helft van de 15 e eeuw zijn rechten op de kerk
herhaaldelijk binnen zijn familie - met name zwager Arnt Van Middachten en zus Belia Van
Wilp - verdedigen. Dat behoeft het echtpaar niet te doen om de erfenis voor kinderen veilig
te stellen, want het huwelijk is kinderloos gebleven. De RDO is in 1501 gei'nteresseerd in een
belening en krijgt die ook. In 1546 en 1560 hebben Johan Stratius resp. zijn zoon Anthonis
belangstelling voor pachtrechten.
Met andere woorden: er blijft belangstelling voor de kerk, terwijl toch de tekenen van verval
er zijn en toenemen. Mogelijk heeft de laatste Evert Van Wilp nog in de kerk geinvesteerd: een
crypt, de geschilderde ramen misschien of zelfs een leien dak.
Waarom, waardoor heeft de teloorgang zo'n lange tijd gevergd?
115
Er lijkt maar een verklaring mogelijk, een financiele.
Kerk en omgeving lijken in de 1 6 e eeuw en in het begin van de 1 T eeuw een soort "wingewest"
te zijn geweest voor de leenmannen.
De gronden van hof Wolfheze kunnen door hun gunstige ligging voor relatief veel geld en
tegen gunstige voorwaarden worden verpacht.
De kerk is als godshuis gedurende een zekere, onbekende tijd in verval geweest, wellicht
tot aan of kort na 1526, maar in elk geval tot een tijdstip voor 1553, waarna het gebouw
zijn funktie als plaats van godsdienstuitoefening heeft verloren. De reden waarom Johan
Stratius in 1545 geen kerkgifterechten in pacht heeft gekregen is onbekend. Wellicht heeft
dat te maken met het gegeven dat die rechten op de Heelsumse kerk rusten, in casu bij huis
Doorwerth, maar er kan een andere reden zijn, b.v. dat Stratius, alhoewel hooggeplaatst, niet
tot de adel behoort.
Als marktplaats is het gebouw echter langer in gebruik gebleven, waarschijnlijk tot omstreeks
het begin van de 1 7 e eeuw.
Dan ongeveer implodeert het in 7.2. beschreven handels- en vervoersstelsel tussen Arnhem
en Wageningen.
De invloed van de graaf van Gelre neemt af wanneer in 1543 Gelre wordt opgenomen in de
Habsburgse Nederlanden onder Karel V.
Als gevolg van de voortschrijdende reformatie in de 2 e helft van de 16 e eeuw neemt vervolgens
de rol van St. Pieter als pachtheer van het veer op de Praats af.
In 1 60 1 koopt de stad Arnhem het veer op de Praats van St. Pieter en legt in 1 603 de schipbrug
aan.
Het vrachtvervoer van en naar Arnhem heeft in de 1570-er jaren te lijden door de Spaanse
bezetting van de stad. Ook heeft de stad te maken met uitbraken van de pest (1565, 1574) 7 .
De noordzuidweg zal meer vrachtvervoer te verwerken krijgen. De heerwech wordt
ondertussen ook minder aantrekkelijk doordat het klooster Mariendaal in 1587 wordt gesloopt,
de Wolfhezer kerk vervalt en het Mariaklooster te Renkum in 1584/5 wordt verwoest. Mede
ten gevolge daarvan komt de Utrechtseweg tot ontwikkeling.
Een kortstondig verblijf van de soldaten van Van den Bergh betekent tenslotte de genadeklap
voor het gebouw in Wolfheze. Mogelijk - waarschijnlijk - hebben zij er grote vuren
aangelegd.
En de dorpelingen? Wat is er van hen geworden?
Het is heel wel mogelijk dat zij wegtrekken wanneer de heerwech minder wordt gebruikt, dus
al voor 1624. Dat leidt immers tot een nog verdere isolering van de nederzetting en tot verdere
bemoeilijking van de afzetmogelijkheden van hun produkten.
Voeg daarbij de algehele verpaupering van de maatschappij, de onrust rond de reformatie en
de opstand tegen Spanje en er lijken voldoende redenen voor de dorpelingen om voorgoed
weg te trekken.
Zo zal er een einde zijn gekomen aan een eeuwenoud godshuis en een even oude marktplaats,
als ook aan de nederzetting van hof Wolfheze.
116
Een nederzetting die - klein qua oppervlak en inwonertal - zijn bestaan grotendeels te danken
heeft gehad aan een kruispunt van belangrijke wegen en aan een romaans kerkje, gebouwd
door een onbekende bouwheer in de Voile Middeleeuwen.
Een nederzetting die vanaf het einde van de 15 e eeuw een kwijnend bestaan heeft geleid.
Een nederzetting boven de groene Veluwezoom en op de rand van het vale Veluwekleed.
NOTEN HOOFDSTUK 8
1. Demoed zegt dat er door de Galioten veel is vernield, maar dat kerk en burcht gespaard zijn
gebleven. Roorda van Eysinga zegt dat een groot aantal huizen is platgebrand inclusief alle
boerderijen op Heer Arndt Enck, dat die huizen nimmer zijn herbouwd en dat de bewoners de
wijk hebben genomen; over de kerk en de burcht zwijgt hij.
2. Daarvoor zijn tal van literatuurplaatsen aan te wijzen. Het is voorts denkbaar dat de kerk van
Wolfheze een directe concurrent is geweest van kasteel Doorwerth. Niet alleen kerken hebben
een rol gehad als marktplaats en logement, ook kastelen deden dat. Zo kan het verkeer op de
noordzuidweg na 1600 de keus hebben gehad handel te drijven en te logeren te Doorwerth of in
Wolfheze. Het kasteel is voor een marktplaats gunstig gelegen.
3. RAG, Oud Rechterlijk Archief Doorwerth, inv. nr. 3.
4. Eenige bijzonderheden aangaande de St. Walburgskerk te Arnhem door A.J. Maris in Bijdragen
en Mededelingen, dl XL, 1937.
5. In dit jaar is hij 52 of 53 jaar oud en hij is gedurende 30 jaar of langer als koster in Oosterbeek
en Heelsum geweest.
6. Het strategische belang van deze lokatie blijkt b.v. ook een brief van 4 juni 1591 van het
stadsbestuur van Rhenen aan de staten van Utrecht. Daarin worden voorstellen gedaan om
de vijand te beletten vanuit het zuiden tussen Wijk bij Duurstede en Arnhem over de Rijn te
trekken. Het bestuur adviseert de Rijn te blokkeren d.m.v. schuyten en boyten, cleyn en groot.
en raadt verder aan En dat uwe U. mede gelieuen te leggen xxx ofte xl soldaten tot Elst, jn een
steenen earner (huis), als oick zeeckere soldaten jnde kerk tot Helsem, zoe opte voorss. twee
plaetsen die meeste ouervaerten van vyant geschieden. Bron: Kronijk Historisch Genootschap
te Utrecht, jaargang 1862.
7. Arneym. Tachtigjarige oorlog. Download februari 2008.
117
118
9. POSTSCRIPTUM
De ondergang van het dorp Wolfheze is niet totaal geweest.
In feite is alleen hof Wolfheze ten onder gegaan: enkele pachtboerderijtjes en de
parochiekerk.
Maar het is wel de hof waardoor Wolfheze een zekere - beperkte - bekendheid heeft verkregen
in de Middeleeuwen. En het is vooral de hof die enkele historiografen - ver in de Nieuwe Tijd
- tot nader onderzoek hebben gebracht.
Het wildforstergoed, de grootste van de twee boerengemeenschappen die Oud- Wolfheze
hebben gevormd, is blijven bestaan.
Het goed wordt in toenemende mate een buitenplaats van gegoede - soms Arnhemse -
families.
Daardoor neemt wel de agrarische aktiviteit en de bosexploitatie van het goed af. In 1726
neemt huis Doorwerth het goed in bezit neemt en wordt de bosbouw weer intensiever ter hand
genomen. De oorspronkelijke wildforsterfunctie raakt steeds verder uitgehold, totdat in 1795,
tijdens de Bataafse Republiek, het goed deze functie ook in formele zin verliest.
Daarna valt het uiteen onder verschillende eigenaren.
Kortom, de agrarische functie van Wolfheze en de bosexploitatie in het oostelijk deel van het
dorp nemen na medio 17 e eeuw geleidelijk af.
Het wegvervoer Arnhem-Wageningen neemt een zuidelijker route, de huidige Utrechtseweg.
Het gevolg van een en ander is dat de natuur weer bezit neemt van grote delen van het
gebied.
Het raakt in de vergetelheid.
Totdat - in het midden van de 19 e eeuw - er weer belangstelling ontstaat voor het gebied.
In de geschriften vanNijhof (1828) en Heldring (1840) wordt o.a. het Wolfhezer natuurschoon
beschreven. Even daarna wordt de aanleg van de spoorlijn Utrecht-Arnhem voltooid, waarbij
Wolfheze zijn eigen station krijgt. De z.g. Zendingsfeesten in de vroege 1860-er jaren op
het voormalige wildforsterij gebied zijn erg druk bezocht geweest. De bekende Oosterbeek-
schilders, voorlopers van de Haagse School, kunnen in dit verband niet onvermeld blijven.
Zij hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de bekendheid van het gebied tussen Oosterbeek,
Wolfheze en Doorwerth.
Het opgravingsonderzoek naar de middeleeuwse parochiekerk van Wolfheze in 1893 door de
Oosterbeker Groneman trekt velen naar het gebied, evenals de renbaan nabij het benzinestation
De Slenk aan de A50.
Toch gaat het bij dit alles om incidenteel opborrelende - toeristische - belangstelling.
De vestiging tenslotte van het Psychiatrisch Ziekenhuis (1907) en het Blindentehuis (1912) in
Wolfheze heeft geleid tot de bouw van een geheel nieuw dorp: het huidige Wolfheze, ettelijke
honderden meters benoorden de voormalige hof Wolfheze en het wildforstergoed.
119
120
BELANGRIJKSTE BRONNEN
De in de noten genoemde literatuurplaatsen geven specifiek de bronnen weer van de
desbetreffende tekstgedeelten. De hieronder vermelde referenties betreffen meer algemene
literatuur. Een auteur of bron kan in beide categorieen voorkomen.
1. Auteurs
ALBERTS, W.J.
Van Heerlijkheid tot Landsheerlijkheid, 1978. ISBN 90 232 1579 6.
ARCHEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR NEDERLAND.
Diverse publikaties in het orgaan Westerheem verschenen in de periode 2001 tot
einde 2007.
BAGGEN, J.
Beeld van een kerk. Uitg. Deventer Dagblad Combinatie, 1992.
BERG, J.M. VAN DEN
Magnalia Dei, de geschiedenis van het kerkelijk Doorwerth-Heelsum.
Uitg. Hervormde Gemeente Doorwerth-Heelsum, 1976.
BERKEL, G. VAN e.a.
Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen.
Uitg. Prisma Informatief, 1° druk 1995. ISBN 90-274-4059-X.
BORMAN, R.T.A.
Archeologie in Gelderland. Uitg. Terra, Zutphen. ISBN 90.6255.0908.
DEMOED, E.J.
1. Van een groene zoom aan een vaal kleed, nr. 3. Uitg. Gysbers & van Loon, Arnhem,
1973. (Heruitgave)
2. Nederl. Hervormde Kerk te Oosterbeek, 1949.
DOLDEREN, G. VAN
1. Geschiedenis van 't oude Wolfhees en het dorp Wolfheze 1900-1940.
Uitg. Repro-Holland 1977, Alphen a/d Rijn.
2. Het plaatsnamenboek van de Veluwe. Uitg. Gysbers & van Loon, 1992.
DULK, PR. DEN
Mariendaal van klooster tot laboratorium. Uitg. Bedrijfslaboratorium Grond- en Gewasonderzoek.
ERKENS H.C.J.
Uit de oude doos. Uitg. Kontrast, Oosterbeek 1997.
FRUIN, R. e.a.
Catalogus van het archief der heren van Montfoort. Uitg. A. Oosthoek, Utrecht 1920.
GARDENIERS, J.J.R
De vroegste kerkenbouw in Gelderland.
Lezing voor de Archeologische Werkgroep Nederland Afd. 17. Arnhem, 14-01-2004.
GEERTOT OUDEGEIN, J.J. DE
Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde Balie van Utrecht, 1871.
GLAZEMA, P.
Gelre's Bijdragen en Mededelingen, deel 51 pag. 63 e.v.
GRONEMAN, H.J.H.
De bouwval te Wolfhezen en wat er gevonden werd.
1. Manuscript in transcriptie door J.P.H.T Michiels.
2. Publikatie in Eigen Haard 1894, pag. 133 e.v.
3. Gelders Archief, Blok 0508, inv. nr. 328.
4. Ingezonden brief Arnhemsche Courant 4 juli 1893.
HEGENER, M.
Archeologie van het Landschap. Uitg. Contact 1995. ISBN 90-254-1432-X.
121
HEIDINGA, A. H.
1 . De Veluwe in de Vroege Middeleeuwen; Aspecten van de nederzettingsarcheologie van
Kootwijk en zijn buren, I, II en III. Academisch proefschrift, mei 1984.
2. Zie noten
HELDRING, O.G. en GRAADT JONCKERS, R.H.
De Veluwe. Eene Wandeling. Herdruk 1969 naar de uitgave van 1841.
HINSBERGEN, P.J.C.G. VAN
Inventaris van het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht
1200-1811
HOUKES, R.
1 . Onderzoek naar relaties in de verspreiding van grafheuvels uit het laat-neolithicum en de
bronstijd in het kaartgebied van Arnhem-Renkum, kaartblad 40a, noordelijk deel.
2. Opgegraven verleden van Gelderland, pag. 133.
3. Emailwisseling in april 2003 en oktober 2007.
HUISMAN, J.
Gezicht op de geschiedenis van Wageningen.
Historische Reeks Vereniging "Oud- Wageningen", nr. 2/1983.
JANSEN, H.
1. Het Stratius Rondeel van Oud - Wolfheze, Schoutambt en Heerlijkheid 4/2003.
2. Wolfheze wat zegt een naam?, Schoutambt en Heerlijkheid 3/2004.
3. De kerk van oud- Wolfheze ca. 1000-1624. Een orienterend onderzoek. Eigen uitgave,
voorjaar 2005.
4. Het wildforstergoed van oud- Wolfheze. Ongepubliceerd werk.
5. De landroute(s?) Arnhem- Wageningen in Middeleeuw en Nieuwe Tijd. Ongepubliceerd
werk.
KOK, H.L. e.a.
Begraven & Begraafplaatsen. Monumenten van ons bestaan. Uitg. Stichting Teleac, 1994.
ISBN 90-6533-371-1.
KUTTNER, E.
Het hongerjaar 1566. Uitg. Querido, 1974. ISBN 90 214 30290.
KUYS, J.
Kerkelijke organisatie in het middeleeuwse bisdom Utrecht. Uitg. 2004 Valkhof Pers,
Nijmegen; ISBN 90 5625 172 4.
LAWICK, H.C.G. BARON VAN
Enige opmerkingen naar aanleiding van de genealogieen van Van Spaen, voorzover betreft
de eerste zes generaties van het geslacht van Lawick. De Nederlandsche Leeuw 1953,
211-216.
LEYDEN, F.
1. Oude wegen op de Veluwe. Bijdragen en Mededelingen 1940, dl 43.
2. Oude wegen op de Veluwe. Een aanvulling. Bijdragen en Mededelingen 1941, dl 44.
3. Landweren en wachtplaatsen in Gelderland. Bijdragen en Mededelingen, 1942, dl 45.
MED, P.J. e.a.
Geschiedenis van Gelderland 1492-1795. Uitg. De Walburg Pers, 1975.
MEIJER, F.
Pruyscher saken. Duitse Orde-ridders en Pruisen in "Niederlander im Ostseeraum und der
Deutsche Orden". Download oktober 2005.
MICHIELS, J.P.H.T.
Oud- Wolfheze. De geschiedenis van een dorp aan de Veluwezoom. Wageningen 1996.
MILIS, L. e a.
De Heidense Middeleeuwen. Uitg. Kok, Kampen 1992. ISBN 90-242-6153-8.
122
NIJHOFF, IS. AN.
1. Wandelingen in de omstreken der stad Arnhem. Uitg. P. Nijhoff, Arnhem 1828.
2. Het Wilhelmus te Eede in 1624. Geldersche Volksalmanak 1859.
OLTMANS, ALB.
1. Het landgoed Wolfhezen. Een verdwenen dorp. Uitg. Romijn, Oosterbeek, 1922.
2. De kerken te Wolfhezen en te Heelsum in het kerspel Wolfhezen. Bijdragen en
Mededelingen, deel XXVI, 1923.
OOSTVEEN, J.W., e.p.
Velua Catholica, eerste deel 600 -1600. Eigen uitgave.
OTTEN, D.
Het plaatsnamenboek van de Veluwe. Uitg. Gysbers & van Loon, 1992.
ISBN 90-6235 073-9.
RIDDER,T. de
Vereeuwigd landschap. Wandelen door schilderachtig Wolfheze.
Archeologische routes inNederland 24. ISBN 90 -7604 -61-31.
ROLAND, M. e.a.
De Veluwe. Een verkenning van de zuid Veluwe. Uitg. Elmar. ISBN 90-6129-523-9.
ROMERS, H.
De bouwgeschiedenis van de oude kerk te Oosterbeek.
ROORDA VAN EYSINGA, N.P.H.J.
De Veluwezoom. Ontwikkeling, bewoning, vegetatie en hun onderlinge invloed vooral in
het gebied van Renkum. Ongedateerd werk >1949.
SCHEVICHAVEN, H.D.J. VAN
Kerkgebouwen op het latere Geldersche grondgebied voor 1300. Gelre's Bijdragen en
Mededelingen, dl. 18, 1915.
SCHULTE, A.G.
1. De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. Ykpunt van de stad. Uitg. Matrijs.
ISBN 90-5345-055-6.
2. Kerken in Gelderland. Uitg. Walburg Pers. ISBN 90 601 1 959 2.
SCHUIJF, J.
Heidens Nederland. Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden. Uitg. Matrijs,
1995. ISBN 90-5345-063-7.
SLICHTENHORST, A. van
Geldersse Geschiedenissen.
STICHTING OUDE GELDERSE KERKEN
Diverse publikaties.
TIEMENS, W.H.
Een duizendjarige kerk. De Ned. Hervormde Kerk in het Benedendorp van Oosterbeek.
Uitg. Oosterbeek ca. 1977.
TIMMERS, J.J.M.
Christelijke Symboliek en Iconografie, 8< druk. ISBN 90-2284-401-74.
VERBEEK, D. en GORTEL, H. van
De Geschiedenis der Neder- Veluwe, Deel 1 Ede en Omstreken, 1888.
VERKERK, C.L.
Coulissen van de macht. Hilversum, 1992. ISBN 90-6550-246-7.
VLIERDEN, M. van
Willibrord en het begin van Nederland. Uitg. Clavis/Museum Catharijneconvent 1995.
Stichting Publikaties Middeleeuwse kunst. ISBN 90-7561-601-5.
WESTERINGH, W. VAN DE
Tabula Batavorum 1981/2.
Nieuwsbrief Kring Kesteren e/o, augustus 2002.
Korrespondentie 2006/2007.
123
2. Overige bronnen
Archief van het aartsbisdom Utrecht. Jaargangen 1874 -1957.
Archief voor de Geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland. Jaargangen 1959-1970,
1976-1991.
124